‘Ik ben uit Jordanië gekomen. Dit was mijn huis’

Terwijl Israël zijn zestigste verjaardag viert, herdenken de Palestijnen morgen Al-Nakba, de catastrofe. Zoals de inwoners van Ayn Hawd, dat nu een Israëlische kunstenaarskolonie is.

Ori Ami (44) vertelt het na alsof het gisteren gebeurde. Vorig jaar, hij was net lekker in de woonkamer aan het drummen, hoorde hij geluiden uit zijn tuin in het Israëlische kunstenaarsdorp Ein Hod. Hij liep naar buiten en schrok. Daar stonden een oude man, een jongere man en een vrouw. Arabieren, zegt Ori Ami, dat zag je meteen.

„‘Wat doet u hier?’, vroeg ik.”

„‘Ik ben uit Jordanië gekomen’, zei de man. ‘Dit was ooit mijn huis.’”

Or Ami schuift zijn espresso opzij en buigt naar voren. „En weet je wat het gekke was? Ze wilden niet naar binnen, ze wilden niet praten, ze stonden er alleen maar.” Na een tijdje draaiden ze zich om en liepen ze weer weg.

Natuurlijk weet Ori Ami, student toegepaste wiskunde, van het verleden van Ein Hod. Hij praat er gewoon over, zegt dat het soms best knaagt. Hij is links, en geëngageerd. „Zeggen mensen dat ze het niet weten? Onzin. Iedereen weet het.” Maar erover praten, nee, dat doe je niet. „Je wilt je niet de hele dag slecht voelen, je wilt ook lekker kunnen slapen. Ik begrijp het, maar ik keur het niet goed.”

Het dorpje Ein Hod ligt verborgen in de heuvels, dichtbij de drukke havenstad Haifa. Het heeft alles dat Haifa niet heeft: de vogels kwetteren, langs de met mozaïek versierde paadjes zijn de bloemenperkjes goed bijgehouden, het enige geluid dat je hoort is het cappuccinoapparaat in het hippe koffietentje. Aan politiek doen ze niet, in het dorp wonen 250 kunstenaars, schrijvers en studenten. Het museum in het centrum vertelt over de stichter van Ein Hod, de Roemeen Marcel Janco, die het dorp begin jaren vijftig omtoverde tot centrum van het dadaïsme.

Tot 1948 heette Ein Hod nog Ayn Hawd. Er woonden enkele honderden Palestijnen, totdat het dorp het toneel werd van de Israëlische onafhankelijkheidsoorlog. Die oorlog ontstond nadat de Britten zich terugtrokken uit toenmalig Palestina en het verdeelden in een joodse en een Arabische staat. Tussen Israël en de Arabische buurlanden ontstond een oorlog, die door Israël werd gewonnen. De grenzen werden ruim opgerekt. Volgens Israëlische historici zijn tussen 1947 en 1949 circa 700.000 Palestijnen verjaagd, tientallen dorpen werden verlaten. Het merendeel werd over de grens gezet, de Palestijnen die in het land bleven hebben nu de Israëlische nationaliteit. Terwijl Israël deze weken zijn zestigste verjaardag viert, herdenken de Palestijnen morgen Al-Nakba, de catastrofe.

Ook Ayn Hawd werd veroverd door joodse strijders. Tot twee keer toe werd het dorp bezet. De bewoners werden verdreven. Israël verbasterde de naam van het dorp tot Ein Hod. De meeste Palestijnen vluchtten naar Jordanië en Libanon, maar de stam van Abu Al-Hija’a, acht families, vluchtte de nabij gelegen bergen in. Op een stuk landbouwgrond zetten ze hun tenten en caravans neer.

„Kijk om je heen, waar zie je zo iets moois?” Aaron Pogoriler, schilder en beeldhouwer, woont midden in Ein Hod. Hij kwam er tien jaar geleden, als Russische migrant. Hier kan hij in alle rust werken, en krijgt hij inspiratie. Van de geschiedenis van het dorp weet hij niets, zegt hij. „Geschiedenis is politiek, en politiek interesseert me niet.” Maar zijn atelier, ronde bogen en wit gepleisterde muren, oogt onmiskenbaar Arabisch. Pogoriler: „Het zal een Arabisch dorp zijn geweest, ik weet het niet precies. Maar nu je het zegt, sommige huizen hebben ook nog Arabische bordjes met huisnummers.” Het is te danken aan Marcel Janco dat het dorp nog iets Arabisch heeft, zegt hij. Ayn Hawd stond op de nominatie om gesloopt te worden, maar Janco zag hoe mooi de huizen zijn. De school werd een museum, de moskee een koffiehuis.

Een paar kilometer van Ein Hod vandaan, ongeveer tien minuten rijden, is het nieuwe Ayn Hawd te vinden. Daar woont een deel van de oorspronkelijke bewoners, de stam van Al-Hija’a. Sinds kort ligt er een weg, wijzen er verkeersborden naartoe, en wordt het vuilnis opgehaald. Israël heeft in 2004 besloten Ayn Hawd min of meer te erkennen, zegt Mohammad al-Hija’a, restauranthouder in het dorp. Voorwaarde is dat er geen nieuwe huizen worden gebouwd, maar daar houdt de stam van Al-Hija’a zich niet aan. „Mijn huis, mijn restaurant, alles wat je ziet is illegaal”, zegt Al-Hija’a. Hij lacht schamper. „Wat een grap. Het is dezelfde wet die ervoor heeft gezorgd dat wij al onze rechten hebben verloren.”

Zijn ouders zijn in 1948 gevlucht uit Ein Hod; hij is in 1954 in het geïmproviseerde dorp, nu circa 250 inwoners, geboren. „Alles hebben ze geprobeerd om ons weg te krijgen. Eerst kwamen de soldaten, daarna de natuurbeschermers, toen de archeologen. Ze hebben gedreigd onze huizen neer te halen. Maar we zijn er nog.”

Het dorp heeft een permanent karakter gekregen. De meeste caravans en barakken zijn verdwenen, er staan nu huizen. Het restaurant van Mohammad al-Hija’a, Al-Beit, begint te lopen. Sommige bewoners hebben werk gevonden, ironisch genoeg vaak in Ein Hod. Daar, in hun voormalige dorp, hebben ze veel tuinlieden nodig.

Een paar jaar geleden was Al-Hija’a in Nederland, in Rotterdam. Daar zag hij in een restaurant placemats die de geschiedenis van de stad vertelden. Dat, zegt hij, zou nu een leuk idee voor zijn restaurant zijn. „Israël gaat krampachtig om met het verleden. De geschiedenis wordt hier voortdurend herschreven.”

Mohammad al-Hija’a weet waar het huis van zijn vader staat. Heel af en toe gaat hij even kijken, maar voor hem hoeft het eigenlijk niet zo nodig. „Ik heb er geen gevoelens bij. Ik praat daar tenminste niet over. Kom maar terug als ik precies dezelfde rechten heb als de Israëliërs van Ein Hod. Dan zal ik vertellen hoe ik me al die jaren heb gevoeld.”