Het geluk in Poppy’s scheve lach

Happy-Go-Lucky. Regie: Mike Leigh. Met: Sally Hawkins, Eddie Marsan. In: 21 bioscopen.

Na pakweg de eerste tien minuten van Happy-Go-Lucky weet de kijker al of hij twee fijne uren in de bioscoop zal doorbrengen of beter kan gaan. Wie de scheve glimlach van Poppy dan al irritant vindt, wie zich dan al ergert aan haar kijk-mij-nou manier van fietsen, aan haar gevatheid of aan haar expliciete overgave aan het leven, hoeft zich geen illusies te maken dat de film nog een andere wending zal nemen. Hier gáát hij juist over.

Mike Leigh, de Britse regisseur met een grote reputatie in het tragische genre (Secrets and Lies, Vera Drake), stelt zich met Happy-Go-Lucky ten doel het geluk weer te geven. Geen makkelijke opgave, zoals schrijver Milan Kundera al opmerkte in The Unbearable Lightness of Being, aangezien het geluk eerder in de opeenvolging van doodgewone momenten van rust zit dan in spannende hoogtepunten.

Leigh zoekt het in geen van deze uitersten. Het geluk dat hij zoekt, zit in zijn hoofdpersoon Poppy. Zij is gelukkig doordat ze het leven aanvaardt in al zijn onrechtvaardige willekeur. Al na een paar minuten wordt haar fiets gestolen. „Het was zo’n fijne fiets”, zegt ze. „En ik heb niet eens afscheid kunnen nemen.” Dan haalt ze haar schouders op en loopt naar huis.

Poppy is een dertiger met een baantje als juf, salarisje, een woninkje en fijne vriendinnen. Ze heeft geen man of kind, zoals haar bazige zus. Wil ze wel, maar het leven heeft het haar gewoon niet gegeven. En dan moet je door. Niet bij de pakken neerzitten.

Leigh stuurt het leven op Poppy af in golven die haar nu eens stuwen, dan weer trekken. Het zijn vooral ontmoetingen die Poppy heen en weer slingeren. Ze is namelijk ondanks haar vrolijke ironie, zeer sensitief. Ze begrijpt haarfijn waar de pijn, de bravoure, het hart en de ziel van andere mensen zitten. Een tangocursus, haar schoolklas, een avondwandeling, een reeks rijlessen – het draait allemaal om de mensen die ze daarbij ontmoet. De stormachtige danslerares die de essentie tango samenvat als de onweerstaanbare behoefte om je leugenachtige man te castreren. Het droevige vechtersbaasje in haar klas. De piesende zwerver. En vooral de hoekige, paranoïde rij-instructeur Scott die met zijn lessysteem totaal geen vat krijgt op de capricieuze Poppy.

De wekelijkse veldslagen tussen die twee in de lesauto zijn de mooiste scènes van Happy-Go-Lucky. Ze zijn bijna een eigen film. Hier is helder te zien wat van Leigh zo’n goede filmer maakt: zijn beheersing van de mise-en-scène in deze beperkte ruimte, de montage waarmee hij het slagveld overziet en de wisselwerking tussen twee intrigerende en intelligente acteurs, Sally Hawkins en Eddie Marsan. Vooral de ontknoping is van een ontroerende schoonheid.

Maar er valt wel degelijk iets af te dingen op Leighs aanpak. Hij maakt alle personages ondergeschikt aan het geluk van Poppy. Een kenmerkend voorbeeld, waarbij ik iets weggeef van de plot. Het agressieve jongetje in haar klas heeft overduidelijk problemen. Poppy haalt er een sociaal werker bij. Die komt en heeft letterlijk in drie zinnen de diagnose te pakken: het jochie wordt geslagen door de vriend van zijn moeder. Terwijl het jongetje dat vertelt en zijn oogjes rood wrijft, zegt Poppy maar: het komt wel goed, het komt wel goed. Hoezo, denk je, nu moeten de volwassenen toch actie ondernemen? Maar de enige actie die wordt ondernomen is een flirt tussen Poppy en de sociaal werker. Het jongetje en zijn slaag komen in de hele film niet meer terug. Hij was maar een vehikel om Poppy aan een leuke man te helpen. Dat is wel heel wrang.