De sportleraar

Martin Breedijk (39)

Studie: Academie voor lichamelijke opvoeding (ALO), Hogeschool van Amsterdam (1986-1990); Cultuur, organisatie en management, Vrije Universiteit (1990-1993)Werk: Docent bij Sport, Management en Ondernemen aan de Hogeschool van AmsterdamHuis: EengezinswoningAantal uur sport in de week: 10 tot 15Brutomaandsalaris: 4.100 euro.

Wat houdt uw werk als docent in?

„Dat is zeer gevarieerd. Ik geef het vak duursport, bijvoorbeeld skeelerles of zwemles. Ik geef ook theorievakken zoals trainingsleer en heb nakijkwerk, ik ben lid van de examencommissie, ik ga hardlopen met collega’s; geen dag is hetzelfde. Iedereen moet alle sporten leren kennen, dus voetballers moeten ook weten wat duursport is. De vaardigheden die studenten leren bij het maken van een trainingsschema kunnen ze ook als manager gebruiken. Als ze trainen met een duidelijk doel, leren ze dat je in het bedrijfsleven ook moet investeren voor je resultaat boekt.”

Wat deed u voor u deze baan kreeg?

„Na de ALO ben ik verder gaan studeren en werd ik semiprofessioneel triatleet. Ik werkte later ook nog parttime als gymleraar, maar was vooral sporter. Toen ik dertig werd, hield mijn sponsoring op. Ik was niet goed genoeg in zwemmen om de top te bereiken. Ik wilde wel eens buiten het lesgeven kijken. Toen heb ik mij vijf jaar met ICT beziggehouden. In dat werk kwam ik er toch weer achter dat ik lesgeven het leukst vind. Ik maak graag anderen bekwaam, help ze in hun ontwikkeling.”

Mist u de topsport?

„Topsport is het allerleukste om te doen, maar je kunt het niet je hele leven doen. Ik stel mezelf nieuwe doelen. Ik ben nu aan het trainen om in juni drie keer op een dag de Alpe d’Huez op te gaan, skeelerend, lopend en fietsend. Ik zamel op die manier geld in voor een vriend die kanker heeft en een dure operatie moet ondergaan. Hij is ambassadeur is voor de Alpe d’HuZes, een vergelijkbaar evenement, waarbij mensen voor het goede doel zes keer de berg op fietsen. Ik hoop zo ook aan studenten te laten zien dat je met sport iets kunt betekenen.”

De sportmanager

Eddy Bakker (40)

Studie: Academie voor lichamelijke opvoeding (ALO), Hogeschool van Amsterdam (1991-1994)Werk: Locatiemanager bij Optisport voor de ijsbaan in HoornHuis: StolpboerderijAantal uur sport in de week: 3 tot 6Brutomaandsalaris: 4.200 euro.

Wat doet u precies?

„Optisport huurt sportlocaties van gemeenten en die exploiteren we. Ik ben verantwoordelijk voor de ijsbaan in Hoorn. Dat houdt in dat ik alles binnen dat complex in de gaten moet houden, van de horeca en de kaartjes tot het personeelsbeleid en het onderhoud. Eerder beheerde ik het Sloterparkbad in Amsterdam.”

U bent dus niet meer zoveel met de sportpraktijk bezig waarvoor u bent opgeleid?

„Ik ben opgeleid als gymdocent, maar ik deed wel een specialisatie sportmanagement. Tijdens mijn studie ben ik een sportschool begonnen die aardig liep. Toen had ik door dat ik meer die kant op wilde. Ik werk graag in een omgeving waar mensen komen om plezier te hebben met sport. Ik heb het lesgeven wel altijd erg leuk gevonden. Dat blijft toch kriebelen. Om die reden heb ik looptrainingen gegeven in mijn dorp en ben ik leider van het voetbalteam van mijn zoon. Volgend jaar ga ik ook een managementvak geven aan de ALO, dan sta ik weer voor de klas. En als ik heel ver in de toekomst kijk, zou ik graag een eigen school voor voortgezet onderwijs willen beginnen waarbij de nadruk op sport ligt. Veel van wat je met sport leert, is heel belangrijk op school. Denk aan discipline, teamwork en zelfvertrouwen.”

Zijn het goede tijden voor u?

„Op zich wel, maar de extra interesse komt vooral voort uit het angstbeeld van overgewicht. Dat is jammer, want dan kan de aandacht net zo snel weer voorbij zijn. Nu moet je dus de kansen pakken. Ik wil het probleem van overgewicht niet bagatelliseren, mensen kunnen hun lichaam jarenlang verwaarlozen, maar ooit krijg je het terug. Ik vind dat schrijnend om te zien. Ik spreek vrienden er ook op aan als ik vind dat ze slecht met hun lichaam omgaan. Zelf doe ik er in elk geval alles aan op mijn zeventigste nog naar het IJsselmeer te kunnen fietsen.”

Leendert van der Valk