De krant van Joris Luyendijk zou niemand lezen

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: Luyendijk en het perspectivisme van Nietzsche.

Joris Luyendijk is een bejubeld journalist, schrijver en mediacriticus. Van zijn boek Het zijn net mensen zijn intussen meer dan 200.000 exemplaren verkocht. Vorige week verscheen in boekvorm een reactie op het boek getiteld Het maakbare nieuws, waarin collega-journalisten hun visie geven op Luyendijks kritiek dat ‘objectieve’ journalistiek onmogelijk is en dat journalisten daarover eerlijk zouden moeten zijn. Deze krant wijdde er een voorpaginaverhaal aan onder de kop ‘Het (on)gelijk van Joris Luyendijk’ (nrc.next, 7 mei).

Deze recente kritiek op Luyendijk is vooral van journalistieke aard; goede, eerlijke verslaggeving is wél mogelijk, zegt bijvoorbeeld NRC-correspondent Bram Vermeulen. Maar er is nog een veel fundamenteler, filosofisch probleem met de gedachtegang van Luyendijk. Keer op keer laat Luyendijk namelijk blijken dat hij zijn eigen filosofische positie niet begrijpt. Dat wil zeggen, hij doorziet de consequenties van zijn eigen analyse niet. En wel hierom.

Luyendijks analyse van de journalistieke mechanismen zijn bijna volledig ontleend aan de filosofie van de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900) – een filosofie die bekend staat als het perspectivisme. De centrale stelling daarvan is dat de wereld ‘is’ zoals de mens ernaar kijkt: al onze ideeën, observaties en oordelen worden bepaald door ons perspectief – en zijn dus nooit ‘objectief’ maar altijd ‘subjectief’ van aard. In zijn essay Over waarheid en leugen in buiten-morele zin (1873) schrijft Nietzsche dan ook enigszins bombastisch: „Er zijn geen feiten, slechts interpretaties.”

Het Nietzscheaanse perspectivisme is ingewikkeld en behelst vele dimensies. Daarom is het inzichtelijker het te illustreren met een voorbeeld. Stel, je vraagt aan iemand uit het Westen hoe de wereld eruit ziet. Grote kans dat hij de wereld zich dan voorstelt zoals op wereldkaart 1 (zie hiernaast). Een Australiër zou onze wereld echter volledig omdraaien – voor hem is onder, wat voor ons boven is, zoals op wereldkaart 2. Voor een Aziaat ‘is’ de wereld weer anders: hij ziet de wereld zoals op wereldkaart 3.

Deze drie verschillende wereldbeelden zijn voor de westerling, Aziaat en Australiër afzonderlijk géén kwestie van smaak: de wereld is voor hen zoals ze zich dat voorstellen. Een perspectief is voor de houder ervan altijd het ‘juiste’ perspectief. Dat is namelijk wat het iemands perspectief maakt: dat hij het voor ‘waar’ houdt.

Maar volgens Nietzsche bestaat een ‘juist’ wereldbeeld niet; waarheden zijn „illusies waarvan men vergeten is dat ze illusies zijn”, schrijft hij. Een ‘absoluut’ perspectief is namelijk onmogelijk: alle observaties en oordelen zijn door de mens bemiddeld. Deze bemiddeling vindt volgens Nietzsche plaats op drie niveaus – niveaus die ook Luyendijk impliciet gebruikt in zijn kritiek op de journalistiek.

Ten eerste is taal niet objectief. Woorden zijn namelijk altijd abstracties en daardoor per definitie een incomplete afspiegeling van wat ze beschrijven. Zo noemen we iedere boom ‘een boom’, terwijl geen enkele boom hetzelfde is. Taal ontstaat zodoende „door het gelijkstellen van het niet-gelijke”, zegt Nietzsche. Iedere boom, takje of blaadje apart benoemen is immers onmogelijk. Een beschrijving kan dus nooit ‘volledig’ zijn, tenzij we alles wat we in taal benoemen tot in het oneindige zouden specificeren – en dat kan niet.

Hierdoor zijn, ten tweede, ook de oordelen die wij in taal uitdrukken niet objectief. Oordelen bestaan immers uit die generaliserende termen, die bovendien ook nog door onszelf bedachte betekenissen hebben. Zinnen als ‘de aarde is rond’ of ‘de lucht is blauw’ zeggen dus niet zozeer iets over de realiteit, als wel over hoe mensen die realiteit zien, ervaren en omschrijven. Nietzsche zegt het zo: „Als ik de definitie van een zoogdier opstel en vervolgens verklaar, na een kameel te hebben gezien: zie aan, een zoogdier, dan wordt daarmee weliswaar een ‘waarheid’ aan het licht gebracht, maar die is van beperkte waarde. Ik bedoel, zij is door en door antropomorf, en behelst geen enkel punt dat los van de mens ‘waar op zich’ of ‘algemeen geldig’ is.”

Ten derde is dus ook ons (morele) wereldbeeld niet ‘objectief’. Onze opvattingen over wat ‘goed’ en ‘kwaad’ is, zijn persoonlijke voorkeuren die voortkomen uit ons metaforische wereldbeeld. Objectieve, morele waarheden bestaan volgens Nietzsche niet. Morele ‘waarheden’, zegt hij, zijn niets anders dan uitingen van een „wil tot macht”: pogingen om jouw persoonlijke opvattingen ‘waar’ te laten lijken om ze op die manier aan anderen op te dringen.

Deze drie niveaus van subjectiviteit komen allemaal voor in Joris Luyendijks media-analyse. Zo noemt hij journalistieke berichtgeving altijd „incompleet” omdat er dingen „buiten beeld blijven” (niveau 1: taal is een abstractie), „partijdig” en „niet neutraal” (niveau 2: oordelen zijn antropomorf) en onderhevig aan „manipulatie” door „strijdende partijen” (niveau 3: wil tot macht).

Tot zover zitten Nietzsche en Luyendijk dus op één lijn. Ze hebben zelfs dezelfde bedoeling met hun perspectivisme: ze willen laten zien dat ‘waarheden’, of ze nu filosofisch of journalistiek zijn, niet meer dan interpretaties zijn. De reden om dat te laten zien is simpel: door de subjectiviteit van ‘waarheden’ bloot te leggen, ontmantel je hun zeggingskracht en daarmee hun macht.

Je zou kunnen stellen dat Luyendijk onder goede journalistiek verstaat wat Nietzsche als goede filosofie beschouwt: het ontmantelen van machthebbers door te laten zien dat ze de waarheid niet in pacht hebben.

Joris Luyendijk wil met zijn analyse namelijk tornen aan de ‘macht van de beeldvorming’. Zo suggereert hij bijvoorbeeld dat journalisten, in hun verslaggeving over de Nederlandse missie in Uruzgan, „tegenwicht” moeten bieden aan „de nieuwsstroom van Defensie en het kabinet”. Door te laten zien dat het beeld van een ‘opbouwmissie’ slechts ‘een beeld’ is, wordt dat beeld namelijk ontkracht, en daarmee ook de macht van de politici die over een dergelijke missie spreken.

Maar Nietzsche begreep beter dan Luyendijk wat het gevolg van dit soort perspectivistische kritieken is. Door te laten zien dat alles ‘een perspectief’ is, dreigt namelijk het gevaar van nihilisme, stelt Nietzsche. Mensen zullen dan nergens meer in geloven. Dat is een probleem voor de machthebbers: macht wordt immers ontleend aan ‘waarheden’. Wie macht wil hebben, zal dus de illusie in stand moeten houden dat hij de waarheid in pacht heeft. Zou hij eerlijk zijn en zeggen dat zijn beeld van de wereld ook maar ‘een beeld’ is, dan is hij zijn overtuigingkracht en dus zijn machtpositie kwijt.

Joris Luyendijk is zich van dit effect zeker bewust wanneer hij spreekt over het ontmantelen van de beeldvorming door politici. Maar hij lijkt niet te beseffen dat hij zichzelf in de voet schiet door hetzelfde te doen met de journalistiek. Door te laten zien dat nieuws maar subjectief en gemanipuleerd is, ontmantelt hij namelijk de macht van het medium; mensen geloven ‘de journalistiek’ dan niet meer. Niet voor niets zeggen veel lezers van Het zijn net mensen: „Nu vertrouw ik niets meer van wat ik zie op tv, of lees in de kranten”.

Maar om machthebbers als het kabinet of het ministerie van Defensie van „tegenwicht” te kunnen voorzien, zoals Luyendijk wil, moet de journalistiek zélf natuurlijk wel een machtspositie hebben. Worden media niet geloofd, dan kunnen ze ook niet langer tornen aan de machthebbers die ze moeten controleren.

Hiervan lijkt Luyendijk zich totaal niet bewust. Hij schrijft namelijk zonder gêne: „Wij overzien niet de hele wereld, we weten niet zeker wat er allemaal gebeurt, en wij kunnen niet objectief zijn.” En stelt dan de vraag: „Waarom bevrijden wij journalisten onszelf niet van die impliciete beloftes waarvan we zelf weten dat ze nergens op slaan?”

Het antwoord is eenvoudig: omdat de journalistiek die zichzelf van die belofte bevrijdt, zichzelf buiten het machtsspel plaatst. Ze zou door niemand meer worden geloofd, zoals ook de politicus die zijn beperkingen opbiecht, maar weinig stemmen zou trekken.

De ideale krant van Joris Luyendijk zou dus weliswaar de meest eerlijke en waarachtige krant ter wereld zijn. Maar niemand zou hem nog lezen.