CBF-keur is wel goed en efficiënt

Totale controle op goede doelen is niet mogelijk. Het CBF-keur geeft aan dat het risico op een verkeerde besteding van een gift erg klein is, zeggen Adri Kemps en Hotze Lont.

Irene Mol bekritiseerde het toezicht op goededoelenorganisaties (Opinie & Debat, 3 mei). Zij betoogde dat het toezicht van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) op de bestedingen tekort schiet.

Mols idee dat bij toezicht sprake moet zijn van totale controle over het hele proces is achterhaald. Bij toezicht en regelgeving is maatvoering belangrijk om de administratieve lasten voor de gecontroleerde instellingen te beperken. Een risicobeperkende benadering is efficiënter en houdt het toezicht betaalbaar. Het zijn dezelfde uitgangspunten die bij de Rijksoverheid veel aandacht krijgen, wat onder andere tot uiting is gekomen in het recente werk van het Centrum voor Good Governance.

Voor het CBF is het ondoenlijk om van alle bestedingen precies na te gaan waar het geld terechtkomt. De bijna driehonderd keurmerkhouders besteden hun geld aan tienduizenden projecten in alle uithoeken van de wereld.

Dat is echter geen reden om niks te doen. Het CBF hanteert hierbij een drievoudige benadering. Ten eerste kijkt het of de keurmerkhouder zelf voldoende controle heeft op zijn bestedingen.

Ten tweede controleert het of de keurmerkhouder een goedkeurende accountantsverklaring heeft over de jaarrekening. Die verklaring geeft aan dat de in de jaarrekening opgenomen bestedingen juist en volledig zijn. Als in de jaarrekening bijvoorbeeld is opgenomen dat 100.000 euro is besteed aan projecten in Zuid-Afrika, dan kan het CBF er op basis van de accountantsverklaring van uitgaan dat dit ook werkelijk het geval is.

In de derde plaats beoordeelt het CBF of de in de jaarrekening opgenomen bestedingen ook overeenkomen met de doelstelling, zoals die is vermeld in folders, op de website, in de statuten, en in het beleidsplan. Deze drie benaderingswijzen geven het CBF voldoende zekerheid dat het geld besteed wordt aan de activiteiten waarvoor de instelling het heeft geworven, zonder dat de projecten ter plekke worden bezocht.

De gekozen werkwijze voorkomt misstanden, maar heeft natuurlijk ook zijn beperkingen. Het kan bijvoorbeeld niet garanderen dat de accountant volledig is geïnformeerd, of dat die Zuid-Afrikaanse organisatie correct rapporteert over de uitgevoerde projecten. Het CBF garandeert wél dat de keurmerkhouder de belangrijkste maatregelen heeft genomen om het risico op slechte bestedingen te minimaliseren. In het recente verleden is bij verschillende instellingen die niet aan deze eisen konden voldoen het keurmerk niet verlengd.

Efficiëntie en lastenbeperking vormen ook een belangrijk argument voor onze visie op onafhankelijkheid, het andere onderwerp waar Irene Mol haar pijlen op richtte. In het achthoofdige bestuur van het CBF zijn twee keurmerkhouders vertegenwoordigd, en de sector wordt actief betrokken bij nieuwe regelgeving. Dat helpt om een werkbaar stelsel van regels en toezicht te creëren dat de organisaties niet met onnodige lasten opzadelt. Daarnaast kweekt de dialoog draagvlak voor regels, zodat die niet mechanisch gevolgd worden. Natuurlijk moet hier tegenover staan dat instellingen geen invloed kunnen hebben op hun eigen beoordeling. Vandaar ook dat het CBF de beoordelingen helder afschermt in de zogeheten Commissie Keurmerk. Die oordeelt onafhankelijk, buiten de invloedssfeer van de keurmerkhouders en hun vertegenwoordigers.

Adri Kemps en Hotze Lont zijn verbonden aan het CBF.