Boer en leeuwerik gaan nu echt niet samen

De veldleeuwerik is sinds 1980 met 90 procent afgenomen. Albert Jan Maat, voorzitter van LTO-Nederland, verbindt in een reactie op ons artikel daaraan de conclusie dat boer en leeuwerik heel goed samengaan (Opiniepagina, 9 mei). Onze conclusie is dat er wel een probleem bestaat tussen boer, leeuwerik en andere aan landbouw gebonden soorten. Deze vaststelling blijkt uit talrijke studies in binnen- en buitenland. Door te ontkennen dat intensivering in de landbouw iets te maken heeft met de kaalslag, geeft Maat aan niet op de hoogte te zijn van deze studies.

Maat raadt ons aan ons te verdiepen in de prestaties van de verenigingen voor agrarisch natuurbeheer. We kunnen Maat geruststellen: dat hebben we gedaan. Alle goede bedoelingen ten spijt stellen we vast dat die verenigingen er niet in geslaagd zijn de achteruitgang van de biodiversiteit in het landelijk gebied te stoppen. Meestal schort het aan de ecologische effectiviteit van het natuurbeheer door de boer. Om die te verbeteren is samenwerking tussen ecologen en agrarische natuurverenigingen, zoals in Groningen gepraktiseerd, essentieel.

We zijn het met Maat eens dat er volop mogelijkheden zijn voor behoud van biodiversiteit in het landelijk gebied. Probleem is dat die mogelijkheden mondjesmaat worden benut, onder andere vanwege een scheve verdeling van GLB-gelden. Waar LTO-Nederland aangeeft vóór 2013 daar helemaal niks aan te willen veranderen, pleiten wij, met de Europese Commissie, voor een evenwichtiger verdeling, noodzakelijk om de achteruitgang voor 2010 te stoppen.