Birma doet niets, dus VN moeten aan de slag

De VN zegt het zelf: de internationale gemeenschap moet een volk beschermen als een regering dat nalaat.

Kortom, de VN moeten de Birmezen te hulp schieten.

De militaire junta van Birma slaagt er niet in de meest fundamentele verantwoordelijkheid na te komen die iedere regering deelt: het zorgdragen voor de veiligheid van haar onderdanen. In het kielzog van de verwoestende tyfoon die vele tien- (zo niet honderd-)duizenden levens heeft geëist en nog veel meer mensen totaal ontredderd heeft achtergelaten, heeft de internationale gemeenschap een grootschalige humanitaire hulpoperatie op gang gebracht om de miljoenen mensen bijstand te verlenen die zijn getroffen door de storm.

Maar in plaats van deze hulp van de rest van de wereld te verwelkomen, heeft de junta reddingswerkers de toegang tot het land ontzegd en nu zelfs beslag gelegd op de zeer beperkte hulpgoederen van de VN die zijn binnengesijpeld om het volk van Birma te ondersteunen, zodat de VN zich gedwongen hebben gezien verdere hulpverleningsinspanningen op te schorten. Dit komt neer een schaamteloos onvermogen van de Birmese junta om te voldoen aan de belangrijkste opdracht van iedere regering, de bescherming van de onderdanen.

De noodzaak om in Birma tot actie over te gaan, is zeer acuut. Grote delen van het land staan onder water. Dorpen en infrastructuur zijn weggeblazen of overstroomd. Riolerings-, transport- en voedseldistributiesystemen zijn vernietigd. Miljoenen ontberen de meest fundamentele levensbehoeften: voedsel, drinkwater, onderdak. Op grond van de huidige schattingen zullen bij het uitblijven van onmiddellijke hulp 1,5 miljoen mensen de dood vinden door toedoen van ziekten en honger.

Als de nationale regering het niet kan, wie moet de mensen dan bescherming bieden? Die vraag wordt al langer gesteld in de context van genocide en grootschalige misdaden tegen de menselijkheid. Drie jaar geleden gaven de lidstaten van de Verenigde Naties een plechtig antwoord: de internationale gemeenschap. Op de VN-top ter viering van de zestigste verjaardag van de organisatie kwamen alle lidstaten overeen dat regeringen de verantwoordelijkheid hebben hun onderdanen te beschermen, en dat de internationale gemeenschap die verantwoordelijkheid zou moeten overnemen als een regering dat niet kan of wil doen.

Vorige week opperde de Franse minister van Buitenlandse Zaken Bernard Kouchner dat de Verenigde Naties deze gemeenschappelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van het Birmese volk op zich zouden moeten nemen. Kouchner weet beter dan de meeste anderen wat hier werkelijk op het spel staat, omdat hij de oprichter en voorman is geweest van de humanitaire hulporganisatie Artsen zonder Grenzen.

Maar de woorden van Kouchner stuitten op een muur van stilte. Toch had Kouchner gelijk: we moeten niet onmiddellijk tot het gebruik van geweld overgaan (hetgeen de verantwoordelijkheid om beginselen te verdedigen volgens velen inhoudt), maar de internationale druk op de Birmese junta verhogen om de juiste stappen te zetten.

De regering-Bush zou zich aan de zijde van de Franse regering moeten scharen en een resolutie moeten indienen in de VN-Veiligheidsraad, waarin de Birmese regering wordt opgeroepen onmiddellijk de toegang van internationale hulpgoederen en hulpverleners tot het land toe te staan en de VN de leiding over de hulpoperatie te laten nemen. Om haar pleidooi te ondersteunen zou de regering in Washington gedetailleerde beelden moeten laten zien van het lijden en de omvang van de verwoestingen in Birma zoals zij dat ook zo doeltreffend heeft gedaan in de gevallen van Bosnië en Darfur, om een twijfelende VN over de streep te trekken.

De resolutie zou de mogelijkheid open moeten houden van extra maatregelen, zoals het uit de lucht afwerpen van hulpgoederen, als de Birmese regering niet meteen met het verzoek zou instemmen. En de Veiligheidsraad zou zich erop moeten vastleggen binnen 24 uur op de zaak terug te komen, de reactie van Birma te bespreken en bijkomende maatregelen te overwegen.

Sceptici zullen zich ongetwijfeld afvragen waarom je je die moeite zou getroosten. China – Birma’s trouwste bondgenoot – en wellicht Rusland zullen dergelijke inspanningen toch wel weer blokkeren. Maar er zijn goede redenen om aan te nemen dat China het schandaal wil vermijden dat onvermijdelijk het gevolg is van dwarsliggen in New York. Na nog maar net te zijn veroordeeld wegens haar daden in Tibet en de gênante wapenzendingen naar Zimbabwe, kan de regering in Peking zich niet nóg een mondiale pr-crisis veroorloven, die landen er ditmaal van zou kunnen overtuigen alsnog van deelname aan de Olympische Spelen in Peking af te zien. Integendeel: door in het hoogste VN-orgaan de juiste weg te bewandelen en zijn invloed op de regering in Rangoon aan te wenden, kan China zijn geschonden imago weer enigszins oppoetsen. Nog belangrijker is dat China op die manier ook het volk van Birma zou helpen.

De wanhopige situatie schreeuwt dringend om ingrijpen. Als er in een geval als dit, waarbij miljoenen mensen door Moeder Natuur zijn getroffen en door hun eigen regering in de steek worden gelaten, geen beroep kan worden gedaan op de verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap om hulp te bieden, dan kan dat in geen enkel ander geval. Dit is een zaak van uiterste urgentie. Als de internationale gemeenschap nu tekortschiet, zal zij niet alleen de ledigheid aantonen van haar beloftes om op te komen voor humanitaire beginselen, maar ook de toenemende irrelevantie van de Verenigde Naties bespoedigen.

De wereld, en zeker het volk van Birma, kunnen zich een dergelijke mislukking niet veroorloven.

Ivo Daalder is verbonden aan het Brookings Instituut, Paul Stares is directeur van het Centrum voor Preventieve Actie bij de Raad voor Buitenlandse Betrekkingen van de VS.