Bescheiden maar zeer gedreven

Als Jan Sipkema de Elfstedentocht afkondigde ontstond er een nationale schaatskoorts. Hij deed dat twee keer: in 1985 en 1986.

Ir. Jan Sipkema, de oud-voorzitter van de Vereniging de Friesche Elf Steden, die maandag op 75-jarige leeftijd in Bentveld (NH) overleed, werd in 1985 een haast nationale volksheld. Hij was nog maar twee maanden voorzitter, toen hij na 22 jaar op 18 februari 1985 de dertiende Elfstedentocht afkondigde. Het jaar daarop kon hij dat opnieuw doen, nu met de legendarische woorden „It sil heve” (het gaat gebeuren). De schaatskoorts brak beide keren onmiddellijk uit in de natie. Tot 1985 was de laatste Tocht der Tochten die van 1963, de barre en zware die Sipkema zelf als wedstrijdrijder uitreed. Het lukte hem niet binnen de gestelde tijdslimiet te finishen, waardoor hij het felbegeerde Elfstedenkruisje misliep. Sipkema was hoofdingenieur en directeur van Provinciale Waterstaat in Friesland. Hij werd geboren in Goor uit Friese ouders en studeerde weg- en waterbouw aan de TU in Delft. Hij was een gedreven mens, typeren oud-bestuursleden Henk Kroes en jhr. Gustaaf Witsen Elias hem. „Jan was geen echte organisator, maar was erop gebrand de tocht in 1985 te laten doorgaan”, weet Kroes, die Sipkema in 1994 als Elfstedenvoorzitter opvolgde. „Juist omdat hij een echte schaatser was.” Een dooiperiode in januari 1985 verdreef de hoop van schaatsminnend Nederland echter op een Elfstedentocht. Op 20 januari meldde Sipkema dat het onverantwoord was de ijsklassieker te laten starten. Maar de vorst keerde in februari terug. Sipkema maakte op maandagavond 18 februari voor de NOS-camera’s de historische beslissing van het Elfstedenbestuur bekend. Die dag had hij de Elfmerentocht geschaatst en had geconstateerd dat de ijsvloer in het Zuid-Friese merengebied, tevens Elfstedenparcours, sterk genoeg was. „Het doorgaan van de tocht in ’85 was kantje boord, maar het kon”, herinnert toenmalig secretaris Witsen Elias zich. „Het spande erom, maar Sipkema zette door. Daar bewonderde ik hem om.” Witsen Elias typeert Sipkema als een nuchtere man. „Niet uitbundig, maar wel erg bezield.”

Sipkema kon wat stuntelig overkomen, was voorzichtig in zijn uitlatingen en leek kwetsbaar, stelt toenmalig ijsmeester Henk Kroes. „Maar dat was ook zijn charme. Juist die eigenschappen spraken mensen aan.” Toen commissaris der Koningin Hans Wiegel in 1985 in de avonduren opperde dat het feest mooi genoeg was geweest en dat Friesland al veel publiciteit had gehad en het festijn wellicht moest worden stopgezet, kwam Sipkema op voor de rijders. Kroes: „Hij onderstreepte dat de vereniging alle schaatsers de kans wilde geven om de eindstreep te halen. Jan was provinciaal ambtenaar en dus een ondergeschikte van Wiegel, maar het belang van de vereniging stond bij hem voorop.”

De schaatshistoricus Johannes Lolkama, een goede vriend van Sipkema, noemt hem een „idealist, die belangeloos de vereniging diende”. „Een teambuilder ook. Hij kon aarzelend overkomen, maar ik durf te zeggen dat hij belangrijker voor Friesland is geweest dan de laatste vier Commissarissen van de Koningin. Hij heeft dankzij de Elfstedentochten voor een enorme promotie van de provincie gezorgd.”

Bij Sipkema’s afscheid in 1994 hadden de verschijnselen van de ziekte van Parkinson zich al bij hem geopenbaard. Dat was een van de redenen waarom hij zijn functie neerlegde. Tot voor enkele jaren bezocht hij nog wel de jaarvergaderingen van de Elfstedenvereniging in de Frieslandhal.

Sipkema woonde in Sneek, maar werd in januari opgenomen in een verpleeghuis in het Noord-Hollandse Bentveld, nabij zijn dochter.