Versleten geschiedenis

Rotterdam bouwt en bouwt maar door, want eens keert misschien een hart terug en krijgt de stad weer een ziel. Waarom eigenlijk?

Bijna 17 jaar ben ik een Rotterdammer en zwervend van huis tot huis: Lange Hilleweg, de Mathenesserlaan, Ruigoord in IJsselmonde, Graaf Florisstraat, het Arendalhof in Oosterflank, de Rivierstraat bij het Euromastpark, de Exercitiestraat in Crooswijk, de Cargadoorskade op de Kop van Zuid, de Boylestraat en nu de Rauwenhoffstraat achter de Vierambachtstraat. Ik heb de stad aardig leren kennen. Een stad, met een historie, want elke keer als je klaagt bij een opengebroken straat, vertelt iemand je over de oorlog, over de gebombardeerde stad zonder hart die nooit af is. Bouwen, bouwen en bouwen, want misschien, ooit, keert een hart terug en wordt de stad bezield. En Zadkine blijft schreeuwen naar de hemel, zonder rond te kijken.

En nu al merk ik dat ik blijkbaar oud genoeg ben om te zeggen: ja, vroeger, vroeger was hier iets anders. Vroeger was er in Crooswijk een muurschildering waarop een menigte die de vuisten balde, tegen de onderdrukking, als een symbolisch gebaar voor het socialistische verleden van de wijk. Neem de Kop van Zuid zijn zielloosheid niet kwalijk, zeggen ze, want het was nog niet zo lang geleden een lege vlakte. We kunnen van een architect veilige gebouwen, schoonheid en een uitzonderlijke hoogte verwachten, maar een ziel is niet te krijgen door de mooi rood gekleurde stenen. De techniek en de kunst scheppen geen historiciteit, die vind je in krom gegroeide bomen, scheve regenpijpen, gebouwen die door de jaren heen steeds anders verkleuren. Geschiedenis ligt bij de buurvrouw van 37a die met buurvrouw 52b kan roddelen over die vervelende lui van 27d. Het zijn de ramen die met elkaar praten, of de deuren die de massaproductie hebben vervangen. Een vitale ziel ligt in de onvolmaaktheden en discontinuïteiten, een eigenheid die zich niet laat vertalen in statistieken die we kunnen toepassen op elke idealistische gevormde wijk.

Een eigenheid, niet een onveranderlijke eigenheid, maar een langzaam veranderend wezen, zoals in Crooswijk, dat in 40 jaar verschillende figuren haar straten laat belopen. Een creatieve binnenhuisarchitectuur, een leraar uit Zeeland, een plat Rotterdams sprekende vrouw met slippers, schreeuwend tegen haar hond, een dure Surinaamse groentezaak, een bomvolle Turkse meubelzaak, de goedkope Duitse Aldi en Marokkaanse klaagvrouwen bij de begraafplaats die je op zaterdagochtend laten huilen over een overledene die je niet gekend hebt. Allemaal leven dat je niet in een paar jaar opnieuw kunt herstructureren en herbouwen.

Waarom doen we het dan? Waarom die continue vernieuwing? Zijn we sinds de oorlog verslaafd geworden aan het nieuwe, het schone en u weet wel, het veilige? Is het drang naar steeds opnieuw, nog een keer, zoals mijn sigarettenverslaving, in een loop terechtgekomen die steeds zich zelf bevestigt? Kunnen we het oude, het versletene niet langzamer vervangen? Stoppen met onnodig vervangen? Kunnen we nog op adem komen omwille van de reflectie? Dwangmatige gehaastheid en enthousiasme dat zich niet toont in architectonische vernieuwingen maar ook in steeds nieuwe plannen, de Laurenskerk die onzichtbaar verpakt wordt door gebouwen om haar heen en Zomerfestivals die zonder te stoppen het ene feest laten overgaan in het andere.

Vergist u zich niet, ik blijf een Rotterdammer. Na 5 uur lang in Amsterdam verdwaald te zijn, uren lang het Utrechts straatboekje bestudeerd te hebben, of de benzinelucht in Teheran te hebben ingeademd, kom ik altijd graag naar huis, naar de brede overzichtelijke straten en de hectiek van de Kruiskade die in mijn vezels is gaan zitten. Een veiligheid die je voelt, niet door een bepaald beleid, maar simpelweg in een ruimte waarin je oost en west, noord en zuid kan onderscheiden, een ruimte waarin je weet waar je huis woont, zoals de jeugd het zo adequaat noemt.

Maar ik heb nooit gedacht dat ik het verlies van het hart van deze stad zo had kunnen voelen als een paar dagen geleden. Wachtend in een noodtramhalte, links, bouwvoertuigen bij het centraal station, rechts het gesloten café de Consul en achter me de singel die in al haar vernieuwingen rekening heeft gehouden met de boom van Breyten Breytenbach, de boom van alle dichters die in gevangenissen de mond gesnoerd worden. En voor me een leegte, een onbegrijpelijke leegte.

En nu ben ik oud genoeg om te kunnen zeggen, daar was ooit een gebouw, de Pauluskerk, met een eigenaardige dominee die een stad zonder haar daklozen en verslaafden een saaie stad noemde, daar waar ik voor het eerst op 17-jarige leeftijd voor een publiek een gedicht heb voorgedragen van een Iraaks-Koerdische dichter die zelf niet kon voordragen. Daar was ooit een verblijfplaats voor degenen die geen besluiten nemen, de onvolmaakten. Daar was ooit een hart, een ziel, dat we deze keer zelf hebben laten verdwijnen omdat Zadkine maar niet omlaag wil kijken.