Van Gelder selectief in verontwaardiging

In Nederland is een breed gedragen gevoel van onrecht over het feit dat turner Yuri van Gelder niet naar de Olympische Spelen in Peking mag. En met graagte wakkert de ringenspecialist het vuurtje van verontwaardiging aan, zoals afgelopen weekeinde na het winnen van de Europese titel in Lausanne. Hij sprak uitdagend over een revanche op degenen die de weg naar China versperden. Hoe verklaarbaar ook, Van Gelder creëert onterecht het beeld van de boze buitenwereld. Vanzelfsprekend is het moeilijk te verteren dat iemand die wereldkampioen en twee keer Europees kampioen is geworden niet naar Peking gaat, maar dat is het gevolg van een onrechtvaardig systeem, niet van onrechtmatig handelen. En hij is de enige niet, de Hongaar Krisztian Berki (voltige) en de Sloveen Aljaz Pegan (rek) trof hetzelfde lot.

Van Gelder wist al drie jaar hoe hij zich voor de Spelen moest plaatsen: in 2007 wereldkampioen worden. Hij heeft niet aan die (zware) eis voldaan. Teleurstellend, omdat hij in Peking een kandidaat voor een medaille zou zijn, maar procedureel juist en rechtvaardig tegenover de andere Nederlandse sporters die de limiet voor Peking ook net niet hebben gehaald.

Waar is de collectieve boosheid over turner Jeffrey Wammes, de volleybalsters, de badmintonsters Yao Jie en Judith Meulendijks, de schermster Indra Angad-Gaur, de judoka Grim Vuijsters of de schutter Dick Boschman?

Van Gelder zou er beter aan doen te stoppen met klagen en met specialisten, lobbyisten, de turnbond (KNGU) en eventueel buitenlandse lotgenoten een front te vormen om de internationale turnfederatie (FIG) tot ruimere kwalificatie-eisen voor toestelspecialisten te bewegen. Nu wordt het olympische deelnemersveld samengesteld op basis van de meerkamp, waarbij sterke turnlanden in het voordeel zijn. Haast is geboden, want redelijk snel na ‘Peking’ worden de limieten voor ‘Londen 2012’ vastgesteld.

Henk Stouwdam