Poldermoslim die ‘vastbijt, volhoudt en niet loslaat’

Deze maand opent hij zijn poldermoskee. Intussen achtervolgt het verleden initiatiefnemer Mohammed Cheppih. „Hij neemt zijn religie serieus, maar niet té serieus.”

Een jongen met een lange baard, gekleed in djellaba, zit in een café tegenover station Eindhoven. Het is 1997. In zijn oren de speakertjes van zijn walkman. Een jongen gekleed in spijkerbroek trekt een van de dopjes uit het oor van de jongen in djellaba om te horen waar hij naar luistert. Het is rapmuziek.

De jongen in spijkerbroek is IT-consultant Mohammed Aghattas, nu 37 jaar. Ook nu draagt hij een spijkerbroek. De jongen in djellaba is Mohammed Cheppih, een van zijn beste vrienden. Aghattas leert de familie Cheppih kennen via een neef, daarna raakte hij in 1990 bevriend met Lakhdar, de oudere broer van Mohammed. Beiden studeerden in Egypte. Een jaar later leerde hij ook Mohammed kennen, toen 14 jaar. „Hij discussieerde alsof hij twintig was. Bij Mohammed moet je er zes jaar bij optellen. Hij heeft er ook altijd ouder uitgezien dan hij werkelijk is.”

Aghattas vindt het niet verwonderlijk dat juist consultant Mohammed Cheppih bezig is met de oprichting van de poldermoskee in Amsterdam-Slotervaart. Een moskee voor heel geïntegreerde moslims, waar in het Nederlands zal worden gepreekt, waar vrouwen en mannen in één ruimte bidden, een moskee met een niet-moslim in het bestuur. „Mohammed studeerde islamitisch recht en theologie aan de universiteit van Medina in 1997”, zegt Aghattas. „Saoedi-Arabië is een heel religieuze samenleving. Daarom droeg hij een baard en een djellaba in dat café. Maar tegelijkertijd was hij een heel Nederlandse jongen die in Eindhoven op een rooms-katholieke basisschool had gezeten, de havo had gedaan en met een Brabants accent sprak. En dus naar rapmuziek luisterde, terwijl muziek voor de salafisten [moslims die een zeer strikte interpretatie van de islamitische regels proberen na te leven, red.] in Saoedi-Arabië volkomen haram [verboden, red.] is. Uiteindelijk heeft hij die twee extremen in zichzelf kunnen verenigen en dat maakt hem tot wat hij nu is: poldermoslim.” De poldermoskee gaat deze maand open, de officiële opening is de eerste vrijdag van september.

Jonge moslims hebben behoefte aan een Nederlandse islam, zegt Youssef Chelah (37), jeugdhulpverlener in Amsterdam en ook een goede vriend van Cheppih. „Cheppih weet dat uit eigen ervaring. Hij is én Nederlander én moslim. Het is lastig om je als moslim in Nederland op je plaats te voelen. Hij heeft daarmee geworsteld, ik heb daarmee geworsteld en duizenden jonge moslims worstelen daarmee.” Juist omdat hij die worsteling persoonlijk kent, is hij de persoon om een antwoord te geven, vindt Chelah. „Hij is een man die zo’n groot project aankan. Zich vastbijten en volhouden, dat is helemaal Cheppih.”

Die vasthoudendheid heeft Mohammed Cheppih van zijn vader. Ahmed Cheppih was mede-oprichter van de orthodoxe Al-Fourqaanmoskee, die eigendom is van de Saoedische stichting Al-Waqf al-Islami en die in 2002 in opspraak kwam omdat er volgens de Algemene Inlichtingen en Veiligheidsdienst extremistische ideeën zouden worden verspreid. Ahmed Cheppih richtte ook de eerste islamitische basisschool van Nederland in Eindhoven op. „Ik heb me ingezet voor een basisschool”, vertelt Cheppih senior telefonisch vanaf zijn vakantieadres, „omdat ik vind dat jonge kinderen de religie goed moeten leren kennen. In de zuivere vorm”.

Zo ook Mohammed. Hij was drie jaar toen zijn moeder zijn geboortestad Oujda in Marokko met vijf kinderen verliet en naar Nederland kwam. Daar kwamen er nog twee kinderen bij. Vanaf zijn derde jaar kreeg Mohammed elke dag een uur Koranles van zijn vader, later volgde hij Koranles in de moskee. Het was het idee van zijn vader dat Mohammed na de havo in Medina de islam zou gaan bestuderen.

Dat werd een enorme cultuurschok voor Mohammed. Tegen Samira Bouchibti, Tweede Kamerlid voor de PvdA, die hem interviewde voor haar boek Dé Moslim bestaat niet, zei hij: „Toen ik in Medina aankwam, kreeg ik de schrik van mijn leven. Alle vrouwen liepen gesluierd en het was daar 55 graden.” (...) Hij zette door, omdat hij terugkeren als een teken van slapte zag. Uit het interview: „Ik heb mijn studie met moeite afgerond, doordat ik grote meningsverschillen met mijn docenten had. Ze zijn daar niet gewend om over religieuze teksten te discussiëren.”

Cheppih is 22 jaar als hij Medina verlaat. In de jaren die volgen werkt hij voor verschillende, maar altijd uitgesproken islamitische, organisaties. „In die periode was hij op z’n religieust”, zegt Aghattas. „Niet zo gek. Hij was een paar jaar ondergedompeld geweest in strikte religie.” Faisal Mirza (22), goede vriend en de man achter de site wijblijvenhier.nl.: „Net terug in Nederland vond hij het moeilijk een vrouw aan te raken, vertelde hij me. Ik heb hem door de jaren heen zien veranderen. Hij werd soepeler.”

Cheppih neemt een aantal beslissingen waardoor hij later met terrorisme in verband wordt gebracht, al zijn er geen bewijzen. Na zijn studie in Medina werkte hij voor de Saoedische hulporganisatie Halve Rode Maan in Kosovo en Macedonië, later voor de Saudi Joint Relief Committee waar Wael Hamza Jalaidan de leiding had. Jalaidan was bevriend met Bin Laden, de man achter Al Qaeda. Cheppih zegt dat hij niet van die vriendschap wist. Van 2000 tot 2005 werkt hij voor de Nederlandse afdeling van de Moslim Wereld Liga, dat kantoor houdt in Mekka en vanuit Saoedi- Arabië wordt gefinancierd. Hij zet voor die organisatie een kantoor op in Nederland en wordt directeur. Hij regelde toen advocaten voor mensen die ervan werden verdacht te rekruteren voor de jihad. „Het werd me gevraagd, in mijn functie was het een verplichting dat te doen”, zei Cheppih daarover. Ook was hij woordvoerder voor de families van de twee Marokkaanse jongens uit Eindhoven die in 2002 werden doodgeschoten in India. Of ze in de Al-Fourqaanmoskee gerekruteerd waren voor de jihad, zoals de inlichtingendienst AIVD dacht, of dat ze op vakantie waren, is nooit opgehelderd. Mohammed groeide samen met een van de jongens op, de families waren bevriend. In 2002 richt hij een reisbureautje op dat reizen naar Mekka organiseert. Hij redt het niet in de keiharde reiswereld, zegt hij zelf, en moet sluiten. In 2003 was hij een maand lang kandidaat-voorzitter van de nationalistische Arabisch-Europese Liga (AEL) in Nederland, maar hij vond de Liga uiteindelijk te nationalistisch.

Het is de periode na 11 september 2001, waarin VVD-politica Hirsi Ali en politicus Pim Fortuyn harde uitspraken doen over moslims. In 2004 wordt cineast Theo van Gogh vermoord. In die tijd doet Cheppih pittige uitspraken in de media waar hij later spijt van krijgt, vooral omdat die buiten de context van het artikel of het programma een eigen leven gaan leiden. Een van die uitspraken komt bijvoorbeeld uit een interview met Het Parool in 2003. Op de vraag wat hij van Bin Laden vindt, zegt Cheppih: „Ik hoef het niet met hem eens te zijn, ik heb ontzettend veel respect voor zijn levensstijl. Hij heeft alles opgegeven, zijn rijkdom, zijn macht, zijn hele leven, om zijn ideologie te volgen.” Een ander terugkerend citaat is zijn antwoord op de vraag van de verslaggever: Bent u een terrorist? „Ja, in woord en daad”, antwoordde Cheppih. Nu: „Ik vond het zo’n rare vraag na een interview van vier uur, dat ik een recalcitrant antwoord gaf. Dom, ja.”

Mensen die Cheppih alleen uit de media kennen, schrokken. Bedoelde hij dat hij bereid was geweld te gebruiken uit naam van de islam? Niemand die hem goed kent, denkt dat hij dat meende. Hij was religieus, niet radicaal, zegt Aghattas stellig. „Hij had iets opstandigs. Ik dacht regelmatig: jonge jonge, moet dat nou zo. Dat kan wel wat tactischer. Hij werd ook tactischer. Met de jaren.”

Samira Bouchibti kwam hem tegen tijdens debatten en zei: „Als je zo doorgaat, word je een outcast. Terwijl we jonge moslims met zo’n fabelachtige kennis van de islam juist nodig hebben.” Hij heeft zich ontwikkeld, zegt ze. Volgens haar heeft de geboorte van zijn dochter eind 2002 een belangrijke rol gespeeld. „Hij besefte dat dit haar land is. En zijn land. En dat hij zich, om hier prettig te leven, zou moeten aanpassen. En dat het dan niet zo handig is om in een djellaba rond te lopen.”

Zijn vader: „Hij was jong en het klimaat uiterst vijandig. Radicalisme past niet binnen de islam, dat heb ik hem van jongs af aan bijgebracht en het past niet bij hem. En dan nog iets: áls Mohammed een extremist zou zijn geweest, dan zou hij dat nu nog zijn. Vasthoudendheid is een allesoverheersende karaktertrek.”

Gretta Duisenberg maakte hem in die periode mee op verschillende reizen naar vluchtelingenkampen in Libanon. Haar viel zijn organisatietalent op en zijn charme: „Mensen rennen voor hem.” Zij vindt het ‘typisch Nederlands’ om verkeerde opmerkingen zo uit te vergroten. „Dat heb ik zelf ook meegemaakt.”

Als hij radicaal zou zijn geweest, dan had Abdelhafid Bouzidi (29) dat zeker gemerkt tijdens de cursus ‘De Verdieping in de Islam’ die Cheppih, naast zijn werk voor de Moslim Liga, aan moslimjongeren gaf. Drie jaar lang, een avond per week. Op die manier leerde Abdelhafid Bouzidi hem kennen in 2001. Eerst zag hij het niet zitten, hij dacht dat Cheppih een purist was. Maar hij liet zich overhalen en had daar nooit spijt van. „Cheppih weet veel en kan meeslepend vertellen. Het is een leraar.” De cursisten kregen geloofsleer en jurisprudentie, het tweede jaar de levensloop van de profeet. Bouzidi: „Ik vind dat je dat als moslim een keer gehoord moet hebben.”

De onderlinge discussies zijn hem het meest bijgebleven. „Het ging over de politiek, over de negatieve houding ten aanzien van moslims, over persoonlijke zaken als relaties, seksualiteit en het huwelijk. We voelden ons vertrouwd, onder gelijken. Cheppih vertelde hoe het volgens de islam in elkaar zat, maar hij drong het nooit op.” Het idee van de poldermoskee is op die avonden ontstaan, zegt Bouzidi. „We vonden het zot dat de moskeeën werden bestuurd door oude, grijze mannen en dat er alleen gepreekt werd in het Arabisch. De meeste jonge moslims verstaan dat niet. Wij wisten hoe het wel moet: de geschiedenis van de islam inzichtelijk maken met een powerpointpresentatie.”

En nu is het zover. Sinds vorige maand vertelt Mohammed Cheppih als een missionaris in kranten en op tv over de liberale moskee. Hij wil laten zien dat de islam niet zo’n enge religie is als veel Nederlanders denken, zei hij vorige maand tegen Pauw&Witteman. Hij doet dat welbespraakt en gedreven. Hij wil een moskee die voor iedereen toegankelijk is. Er zullen verschillende imams preken, zodat de islam van verschillende kanten zal worden belicht. De moskee wil geen geld uit het Midden-Oosten. Ook niet van de Nederlandse overheid.

Zijn imago blijft hem achtervolgen. Cheppih baalt daar ongelooflijk van. De column van Sylvain Ephimenco, op 24 april in Trouw, vond hij verschrikkelijk. Ephimenco citeert uit een preek van Cheppih in de Al-Fourqaanmoskee in 2003 over de hel: „Het lichaam van de ongelovige zal splijten. Bittere kruiden moet hij eten, rottend vlees. (...) Het is heet in de hel, zeker 70 tot 73 keer zo heet als het vuur dat we kennen van het gasfornuis.” Deze prediker, schrijft Ephimenco, „is dezelfde prediker die nu overheidsopdrachten binnenhaalt voor zijn bedrijf Academica Islamica en op het punt staat een poldermoskee te stichten in het Amsterdamse Slotervaart. Het is ook dezelfde man die Bin Laden bewonderde, lijfstraffen prima vond, Nederland uitkotste en directeur was van de Nederlandse afdeling van de Moslim Wereld Liga, een bolwerk van haatzaaiende radicalen. Wás – want Cheppih beweert nu radicaal te zijn veranderd. (...)” Ephimenco gelooft dat niet. „Eigenlijk twijfel ik sterk aan de hele wederopstanding van hardliner Cheppih.”

Nederlanders moeten kijken naar de feiten, zegt de Egyptisch-Zwitserse filosoof en theoloog Tariq Ramadan, hoogleraar in Rotterdam. „Cheppih heeft zich ontwikkeld tot een persoon die een moskee opzet om jonge moslims te integreren in de Nederlandse maatschappij. Wat willen we nog meer? Waar zijn we bang voor?Dat een wolf in schaapskleren een poldermoskee opricht?”

Veel mensen zijn bang voor de islam, zegt Ramadan. „Vooral na de moord op Van Gogh kregen emoties de overhand. Ik begrijp dat, maar heb respect voor mensen die boven hun angst staan en kijken naar wat er werkelijk gebeurt. Laat de activiteiten en de acties van Cheppih en zijn poldermoskee voor zichzelf spreken.”

Marloes Kuyer, bestuurslid van de poldermoskee, kent Mohammed Cheppih sinds 2005 en alleen als rekkelijke moslim. „Zondag komt hij barbecuen bij mijn ouders. Mijn vader zal voor het eerst in zijn leven halalvlees moeten kopen.” Ze vertelt dat Cheppih de Koran tijdens de Ramadan helemaal wilde lezen en dat ze op de laatste dag samen in de trein zaten en hij de hele reis Koranteksten prevelde. Maar ze vertelt ook dat ze rond Kerst met hem en zijn dochter in de auto zat en dat ze kerstliedjes zongen. Kuyer wil maar zeggen: „Hij neemt zijn religie serieus, maar niet tè serieus.”