Je komt nooit quitte te staan met 300 jaar slavernij

Kamerlid Van Bommel vindt dat Balkenende excuses moet aanbieden aan Suriname voor het slavernijverleden.

Dat moet hij dan namens de staat doen, niet namens ons.

Illustratie Bas van der Schot Schot, Bas van der

Vandaag gaat premier Balkenende naar Paramaribo. SP-Kamerlid Harry van Bommel vindt dat hij formeel zijn excuses moet aanbieden voor het slavernijverleden. „Excuses zouden passend zijn voor het enorme leed dat wij als Nederlanders deze mensen hebben aangedaan”, stelt Van Bommel in een vraaggesprek met nu.nl.

Dit soort kwesties speelt eigenlijk al door de hele wereldgeschiedenis. Van Bommel zegt het zelf: Tony Blair verontschuldigde zich tegenover de Ieren, Angela Merkel tegenover de joden, de Australische premier Kevin Rudd tegenover de Aboriginals. Nu moet Balkenende ook maar eens.

Waarom eigenlijk? Laten we eens goed naar Van Bommel luisteren: hij heeft het over ‘wij als Nederlanders’. Maar wie zijn die ‘Nederlanders’? Ik? De Turk in Amsterdam-West die ook een Nederlands paspoort heeft en het Wilhelmus op z’n minst mee kan neuriën?

Net zomin als Van Bommel, de Nederlandse Turk en ik, is Balkenende schuldig aan slavernij. En de slaven van weleer kunnen ons niet meer horen. Waar heeft Van Bommel het dan over?

Zo ongeveer is de redenering in de gemiddelde kroeg. Maar in de beschaafde wereld werkt het anders. The New York Times-columnist Stanley Fish schreef er een artikel over op 20 maart vorig jaar, toen een paar Amerikaanse staten zich hadden voorgenomen om officieel hun excuses aan te bieden voor het slavernijverleden. Ook toen kwamen zulke stemmen op: ‘ja, maar ik heb het toch niet gedaan? En die slaven, die zijn dood, wat hebben zij eraan?’

Stanley Fish maakte heel snel en elegant korte metten met deze redenering: die slaven zijn dood, en hun nazaten zijn geen slaaf geweest, dat klopt. Maar slavernij was niet gericht op individuele personen, van ‘jij wel en jij niet’: alle Afrikanen waren tot slaaf bestempeld, daar was geen ontsnappen aan. De meest tragische verhalen gaan juist over die mogelijke ontsnappingen: de schone slavin, die haar blanke slavenmeester een mooi meisje baarde, dat hij daarop achteloos verkocht aan een buurman, als zijnde gewoon een slavinnetje. Of de slimme zwarte jongen die met zijn meester mee mocht naar Europa, leerde lezen en schrijven en terugkwam als een geleerde jongeman, en toch werd doorverkocht als veldslaaf.

Afijn. De slavernij ging niet over individuele mensen met individuele persoonlijkheden, slavernij was een instituut, geheel categorisch en zonder uitzonderingen: zoals olifanten, honden en vogels, had je slaven. En ja, ze waren zwart en ze kwamen uit Afrika.

Het gekke is dat zo’n houding ook van de slavenhouder een instituut maakt: in Suriname is nooit een blanke Nederlander tot slaaf gemaakt. Een blanke Nederlandse misdadiger kon gevangenisstraf krijgen of worden gedeporteerd, maar hij kreeg nooit een gewone lijfstraf zoals de zwarte slaven.

Wat leert dit ons? Dat slavernij niet gaat over individuen, maar over instituten. Slavernij was een institutioneel gegeven waarin twee instituten nauw betrokken waren: de slaven en de slavenhouders.

Als je het zo bekijkt, heeft Harry van Bommel een beetje gelijk. Hij zegt het onhandig, door te spreken over ‘wij als Nederlanders’. Dat is onjuist: wij als Nederlanders hebben niets op ons geweten. Het is de Nederlandse Staat, tegenwoordig het Koninkrijk der Nederlanden, dat iets op zijn geweten heeft en daar is, jammer genoeg, premier Balkenende de belangrijkste woordvoerder van. Als Balkenende sorry zou zeggen, zou hij het niet namens zichzelf doen, maar namens dat Koninkrijk, dat aan hem voorafging en hem zal overleven.

Maar Van Bommel heeft Balkenende wel een beetje klem gezet: als onze premier, de vertegenwoordiger van het Koninkrijk der Nederlanden, weigert om zijn excuses aan te bieden voor de slavernij, is dat een nog veel groter signaal dan wanneer hij het wel zou doen. Want dan zegt Balkenende eigenlijk: luister mensen, ons Koninkrijk trekt zich niks aan van het verleden en voelt zich nergens schuldig over.

Dat kan hij zich nauwelijks veroorloven. De meest beschaafde weg is eigenlijk om volgende week tegen de Surinamers te zeggen: sorry. Oké, in beleefdere, meer statige bewoordingen, maar daar komt het op neer.

Maar wat schieten de Surinamers ermee op? Want dat blijft een moeilijk punt in de redenering van Stanley Fish: hij zegt dat Nederland als instituut slavernij heeft bedreven, maar welk instituut likt nu eigenlijk zijn wonden? Daar beginnen mijn twijfels: de Surinamers hebben te laat en te weinig gestaan op een formele genoegdoening. Gewoon een ‘sorry’ van een Nederlands staatshoofd was ze nooit genoeg. Ze wilden het omzetten in een materiële genoegdoening, zo van: die slavernij, en dat kolonialisme, dat kost zoveel, zeg maar drie miljard, zoals ze tijdens de onafhankelijkheid bedongen. Toen stonden ze quitte.

Stom was dat, en immoreel. Je kunt nooit quitte komen te staan met zoiets als driehonderd jaar slavernij. Hoe hebben jullie eigenlijk gerekend, een miljard per honderd jaar? Of per aangekomen slaaf, tienduizend ouderwetse guldens, ofwel zo’n vierduizend euro de man, hebben jullie zo gerekend? Dan had je het echt anders moeten aanpakken, beste Surinamers: zeg maar aan Balkenende dat hij geen excuses hoeft aan te bieden, als hij het toch niet over zijn lippen krijgt. Zeg gewoon: we willen tienduizend euro per zweepslag als genoegdoening. Kijk, dat is nog eens rekenen.

Anil Ramdas is sinds 1992 columnist van NRC Handelsblad. Hij groeide op in Suriname en studeerde sociale geografie in Amsterdam.

Lees de columns van Ramdas terug op nrc.nl/ramdas