Ivo Pogorelich op weg naar de hel

Klassiek Ivo Pogorelich, piano. Werken van Beethoven, Brahms, Rachmaninov. Gehoord: 10/5, De Doelen, Rotterdam.

Met de verstarde bewegingen van een slaapwandelaar slentert hij naar de vleugel van De Doelen, waar hij acht jaar geleden zijn laatste Nederlandse recital gaf. Rebel Ivo Pogorelich (1958), in zijn roemrijke jaren zó vaak beschreven dat hij in 1986 tegen de New York Times verklaarde „Ik krijg al een recensie als ik het stof van mijn piano afveeg”, lijkt met het afscheren van zijn weelderige haardos te hebben afgerekend met zijn glossy image.

Het schandaal rond Pogorelich, toen de jury hem in 1980 niet toeliet tot de volgende ronde van het Chopin Concours, ligt verankerd in het geheugen van elke pianoliefhebber. Woedend verliet Martha Argerich de jury en noemde de jonge pianist uit Kroatië, toen ogend als een bloedmooie gigolo, een genie. Deutsche Grammophon was er razendsnel bij en zo werd Pogorelich in de jaren tachtig een van de best verkochte pianisten ooit.

Wufte bontmantels, extreme interpretaties en zijn huwelijk met zijn veel oudere lerares Aliza Kezeradze droegen bij tot zijn excentrieke uitstraling. En zo ging het door tot in 1996, het jaar waarin mevrouw Pogorelich overleed. Toen werd het akelig stil rond ‘Goldfinger’, zoals een Duitse criticus hem ooit noemde.

Inmiddels is Pogorelich begonnen aan een gedoseerde come-back, waarbij zijn kaalgeschoren hoofd symbool lijkt te staan voor de richting waarin zijn tegendraadse pianospel zich altijd al bewoog: anarchistisch, eigenzinnig, onnavolgbaar. Je zou de analytische, bijna ontbindende manier waarop hij in De Doelen werken van Beethoven, Brahms en Rachmaninov ontleedde, zelfs destructief kunnen noemen.

Klankschoonheid was nooit de sterkste troef van Pogorelich, al waren er te midden van de bijtende akkoorden, versteende samenklanken, valse accenten en volledig uit elkaar getrokken tempo’s altijd nog wel een paar paradijselijke eilandjes van delicate lyriek te vinden. Met zijn Scarlatti en Haydn verklankte hij zelfs kristallen doorkijkjes op de hemel. Maar zodra de muziek gecompliceerder en romantischer werd, zakte Pogorelich af tot de verschrikkingen van de onderwereld.

Nu misbruikte hij Beethoven en Rachmaninov om regelrecht af te dalen tot de krochten van de hel. Het was verschrikkelijk, zoals hij Beethovens Sonate nr. 32 en Sonate nr. 24 uit hun verband rukte. Zijn Tweede pianosonate van Rachmaninov klonk als de mechanisch hamerende verklanking van macaber hellevuur. Alleen in zijn ook al extreem langzame en verstarde Intermezzi van Brahms viel een vleugje schoonheid en gevoel te bespeuren. De geniale Pogorelich lijkt vooralsnog ontspoord.