Hoe is de straatcultuur tot Nederland doorgedrongen?

„Sinds wanneer kennen we in Nederland straatcultuur en waar komt het vandaan?”, vraagt Bas van ’t Zand uit Andijk. „En... hoe komen we er ooit weer vanaf?”

Rap(muziek), streetdance, graffiti, veel hangend goud en fuck da police! Dé cultuur van de straat bestaat niet, maar de bekende vorm waar Bas op Doelt, heeft zo zijn pijlers.

Straatcultuur is een ‘open’ cultuur, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het exclusieve middenklassefenomeen van het hippiedom. Straatcultuur staat open voor vernieuwing, is anti-autoritair en voor iedereen toegankelijk, als je je maar houdt aan de codes of the street, waarin respect en zelfprofilering centraal staan.

Sinds de jaren tachtig wordt straatcultuur geassocieerd met de levensstijl hiphop (waar hiphopmuziek onderdeel van is). De wortels gaan terug tot de grote trek begin vorige eeuw van arme zwarten uit de zuidelijke staten van de VS naar de grote steden in het noorden, zegt VU-criminoloog Frank van Gemert. Velen bleven werkloos en er ontstonden getto’s. Het leven op straat organiseerde zich in gangs met een strikte, hiërarchische structuur.

Had je als ganglid geen geld om je te onderscheiden met hippe kleding, dan kon het ook verbaal. „Al in de jaren zestig staken gangleden elkaar de loef af met korte, tweeregelige raps waarin ze bijvoorbeeld elkaars moeder beledigden”, aldus taalwetenschapper René Appel.

De eerste tekenen van een Nederlandse straatcultuur dateren uit de jaren tachtig, volgens Appel. „Met name in de Amsterdamse Bijlmer begonnen jongeren Surinaamse woorden te gebruiken. Ze ontwikkelden een eigen taal, waarin veel negatieve woorden een positieve connotatie kregen. ‘Dope shit’, ‘kapot moeilijk’ en ‘erg’ betekenen allemaal ‘fantastisch’ en ‘geweldig’.”

Met MTV als katalysator werd straatcultuur medio jaren negentig de dominante jongerencultuur in Nederland. En helaas voor de critici: de kans dat het ooit verdwijnt, is klein, denkt Van Gemert: „Vroeger werd de culturele norm bepaald door de hogere klassen. Maar die hebben het niet meer voor het zeggen.”

Freek Schravesande