Eet smakelijk

Onlangs heb ik bij mensen gegeten die de maaltijd in stilte aanvangen. Zo heb ik dat thuis niet geleerd. Ik wens, voordat ik zelf begin te eten, de anderen een goede maaltijd toe door „eet smakelijk” of „smakelijk eten” te zeggen.

Welke woordvolgorde ik het vaakst gebruik weet ik niet goed, want hoewel ik altijd van harte hoop dat het eten goed smaakt – of ik nu zelf heb gekookt of niet –, formuleringen die je zo vaak gebruikt, spreek je tamelijk gedachteloos uit.

Doorgaans wensen mensen elkaar een goede maaltijd toe. Ik zeg „eet smakelijk”, vervolgens herhalen de anderen dat, al dan niet met een kleine variatie („ja, eet lekker”) en de maaltijd kan beginnen.

Ik vermoed dat ik hiermee een ritueel beschrijf dat in heel veel gezinnen, zo niet in de meeste gezinnen in Nederland, gebruikelijk is.

Zo niet in dit gezin. Ik zei „eet smakelijk”, keek mijn tafelgenoten aan, maar die bleven stil.

Ik kan niet zeggen dat er echt een ongemakkelijke stilte viel. Er was eerder sprake van een beleefd zwijgen. Men keek mij gemoedelijk aan, met mededogen bijna, waarna mijn tafelgenoten begonnen te eten – zwijgend.

Zelf voelde ik me wel een beetje ongemakkelijk. Het waren vrienden, mensen om wie ik veel geef, maar dit was nieuw.

Ik weet dat er mensen zijn die „eet smakelijk” of „smakelijk eten” ongepast vinden. Een goede verklaring hiervoor heb ik nooit gehoord. Ik denk ook niet dat die er is. Mensen die geen „eet smakelijk” zeggen, hebben vroeger van hun ouders – meestal van hun moeder – geleerd dat dit niet hoort. Als kind slik je dergelijke regels als zoete koek; de vraag waarom dit niet zou horen, wordt doorgaans pas later gesteld.

„Omdat het burgerlijk is”, is een verklaring. Of: „Omdat wij zelf wel uitmaken of het eten smaakt of niet.”

Beide antwoorden hebben mij nooit overtuigd. Waarschijnlijk leert een moeder haar kind om geen „eet smakelijk” te zeggen, omdat zij dit zelf van háár moeder heeft geleerd, die het weer van háár moeder heeft. En zo verder, ik vermoed tot ergens in de 19de eeuw, toen de opkomende burgerij zich steeds nadrukkelijker wilde onderscheiden van de arbeidersklasse.

We hebben hier dus te maken met een voorbeeld van standstaal. Het is er eentje in de reeks taartje-gebakje, biertje-pilsje en ijskast-koelkast, maar dan zeldzamer.

Het bijzondere met dit soort dingen is: als je in je jeugd hebt geleerd dat „eet smakelijk” of „smakelijk eten” niet hoort, dan blijft dat bij de meeste mensen hun leven lang een gevoelig punt. Je kunt je ertegen verzetten door het opzettelijk wél te gaan gebruiken, en dan wil die gevoeligheid soms langzaam slijten. Maar dit zijn relatief kleine, subtiele taalnormen, waartegen je niet snel in verzet komt. En dus blijft het iets waar je je leven lang aan blijft vasthouden, nog lang nadat je beseft dat het in feite om irrationele, ongegronde taalregeltjes gaat, die zijn gebaseerd op een tamelijk benepen standsbesef.

Maar zelfs als je dat doorziet: je krijgt het gewoon je strot niet uit, het klínkt gewoon niet.

Zelf heb ik dat met „smakelijke voortzetting”. In mijn jonge jaren heb ik van mijn moeder geleerd dat je dat nóóit moet zeggen, want dat was intens burgerlijk. Ook dit slaat nergens op, maar ik krijg het simpelweg niet over mijn lippen.

Ewoud Sanders