De blinde en de olifant

In een bekend Aziatisch verhaal komen drie blinde reizigers op hun pad een stilstaande olifant tegen, een dier dat hun onbekend is. De eerste reiziger betast de slurf en constateert dat het een slang is, de tweede de staart en denkt aan een liaan, de derde die de poot aanraakt, constateert dat ze te maken hebben met een boomstronk. Ik moest verschillende keren aan dat verhaal denken bij de recente berichtgeving over China en Tibet. Net als de reizigers, beperkt als ze zijn door hun blindheid, geen idee hebben van het hele dier en het dus vergelijken met iets wat ze wel kennen, zozeer tasten wij in het rond op basis van de verbrokkelde informatie en eenzijdige commentaren.

Aan de ene kant staat het beeld van China als een zich snel moderniserende natie, weliswaar geen democratie, maar een ambitieuze grootmacht die honderdduizenden ingenieurs per jaar aflevert, westerse architecten voor prestigieuze nieuwbouwprojecten inhuurt en een bloeiende kunstmarkt ontwikkelt. Dat China is onmisbaar voor de wereldeconomie, als producent en consument. Aan de andere kant vermoeden we het China waar arbeiders onder erbarmelijke omstandigheden werken, rivieren vervuilen en droogvallen, het de boerenbevolking verboden is naar de stad te reizen en de vogelgriep bij wijze van spreken overal op de loer ligt. En dan is er de ernstige beperking van de vrijheden van het Tibetaanse volk (en andere minderheden), de inzet van het leger en het muilkorven van de pers. Het zijn allemaal facetten van de Chinese olifant maar hoe ze samenhangen, blijft onduidelijk. Dat weerspiegelt zich ook in de reacties van de westerse landen. In het begin overheerste een vergoelijkende houding: we moesten de Chinezen tijd geven en vooral niet voor het hoofd stoten. Langzamerhand, met het oplaaien van de protesten tijdens de wereldreis van de Olympische vlam, krijgt de afkeer van China als gewelddadige onderdrukker de overhand. Dat heeft geleid tot de kenmerkende zelfgenoegzaamheid: zo hebben in Nederland de verantwoordelijke minister en zijn staatssecretaris ons triomfantelijk verzekerd dat zij de kwestie-Tibet indringend bij hun Chinese collega’s aan de orde hebben gesteld. In de afwezigheid van een helder beeld van China, én van wat wij als onze toekomstige relatie met het land zien (wij: het Westen, want Nederland is natuurlijk maar een dwerg in dit spel van reuzen), ontstaat het ongemakkelijke compromis. Als het niet zo treurig was, zou het bijna komisch zijn: ook ons eigen kabinet wringt zich in bochten om uit te leggen waarom de boycot van de openingsceremonie van de Olympische Spelen een betekenisvolle daad is (in tegenstelling tot de slotceremonie die wel bijgewoond mag worden). Andere leiders verschuilen zich achter hun volle agenda. Het is allemaal too little, too late.

Op dezelfde manier als wij als blinde reizigers een beeld van China proberen te vormen, zijn wij slechtzienden als het gaat om de Dalai Lama. We omarmen maar al te graag zijn mildheid die schril afsteekt tegenover het Chinese fysieke en verbale geweld. Al te makkelijk projecteren wij op de vriendelijk glimlachende leider onze eigen verlangens naar overleg. En dus wordt hij nu voortdurend uitgenodigd in Europese hoofdsteden. Maar van een Boeddhistisch poldermodel is geen sprake. Onze vorm van dialoog als een typisch democratische verworvenheid moet niet verward worden met de eeuwenoude traditie van religieuze autoriteit waarbij luisteren op zijn hoogst een middel is.

Wat me opvalt in het debat in de westerse media is de geringe bereidheid zich te verdiepen in het Aziatische perspectief. Het interessantste aspect aan de kwestie- Tibet is niet de redelijk voorspelbare toename van de verontwaardigde reacties in de westerse wereld, noch de te voorziene gespannen Chinese reactie. Eén land heeft zich tot nu toe opvallend stil gehouden over het onderwerp: India, terwijl dat toch het land is dat de Dalai Lama en zijn volgelingen huisvest. En ook Korea, Maleisië en Indonesië hebben nauwelijks gereageerd. Dat zijn allemaal landen die, net als China, reden hebben om etnisch of religieus geïnspireerde onrust en de daaruit voortvloeiende fragmentatie te vrezen. Pas vlak voor en tijdens het Chinese staatsbezoek van afgelopen week, heeft Japan zich verontrust betoond over de Chinese houding tegenover Tibet. Daarin spelen de mensenrechten nauwelijks een rol, maar veeleer een vorm van winst- en verliesrekening. Wat is de winst voor China als het land toe lijkt te geven aan westerse druk, en wat kan gedaan worden om de prijs te verzachten die een eventuele verandering in houding met zich meebrengt? De boycot van de openingsceremonie is op zijn best symbolisch, maar vooral hypocriet en naïef. Ons aller belang is een stabiel en open China. Zonder vertrouwen en respect geen dialoog over de mensenrechten, laat staan een langdurige relatie voor het gezamenlijk oplossen van vraagstukken van duurzame ontwikkeling, klimaatverandering en energie. Daarvoor zal onderhandeld moeten worden, in stilte en zonder uit te gaan van korte termijn feel good bevliegingen. Wat het Westen nu van China gedaan wil krijgen - een ‘vrij’ Tibet - is veel te vaag en irrealistisch. Voor een blinde is de enige weg om niet los te laten en geduldig onderzoekend door te gaan. En de olifant staat erom bekend dat hij zich alles herinnert, vriend en vijand.