ANWB-rijbewijs? Die remmen altijd zo hard

Walter van den Berg wil met vakantie maar dan wel met de auto als het kan.

Hij heeft een rijbewijs maar al zeven jaar niet meer gereden. Wat te doen?

Omdat mijn baas me gedetacheerd had en ik ongelukkig werd van de trein (in de spits moest ik vaak drie kwartier staan), wilde m’n baas rijles voor me betalen. Dan zouden we een leaseautootje voor me regelen. Omdat ik dat rijbewijs dan ook snel wilde hebben, nam ik twee weken vrij en volgde ik een spoedcursus bij de ANWB. Twee weken acht uur per dag achter het stuur.

Toen ik mijn examen had, kon ik het nog niet zo heel erg goed. Maar de examinator had aan het eind van de eerste week cursus ook naast me gezeten, bij de zogenaamde tussentijdse toets, en toen was ik echt waardeloos. Dus bij het examen zag hij de opgaande lijn. Ik was geslaagd. En ik was heel blij. Hoewel ik zachtjes tegen mijn instructeur zei dat ik niet het idee had dat ik het al echt kon. „Echt autorijden leer je als je het doet,” zei hij geruststellend.

Mooi, want ik kon voortaan elke dag naar mijn werk op en neer. Met mijn rijbewijs meldde ik me de volgende maandag bij mijn baas. Om te ontdekken dat ik voor dat leaseautootje mijn rijbewijs minstens een jaar moest hebben. Dus: weer in de trein naar Alphen. Drie kwartier staan.

Ik heb nooit meer auto gereden. Of wel, één keer: ik had ontslag genomen bij die baas (want Alphen, en de trein) en ik was als conciërge bij een bedrijf gaan werken. Mijn leidinggevende zei op een dag: jij hebt toch een rijbewijs? Breng even de dienstauto naar de garage.

Ik heb die autorit volledig uit mijn geheugen verwijderd. Ik neem aan dat ik het overleefd heb.

Maar nu.

Ik heb nu zeven jaar mijn rijbewijs, en ik vind dat het tijd wordt om er wat mee te doen. Ik heb een vriendin die aan de andere kant van het land woont en ik heb een Greenwheels auto voor mijn deur staan. En we willen met vakantie in een auto. Naar het zuiden rijden en we zien wel. Maar daarvoor moet ik eerst echt kunnen rijden. Op z’n minst een beetje.

Google verwees me naar een rijschool waar ik wel eens borden op daken van auto’s langs had zien schuiven, dus ik belde. Ja, ze gaven opfrisrijlessen. Kom maar langs om je in te schrijven.

Op kantoor zat een aardige mevrouw. Ik vertelde hoe het zat.

„Bij de ANWB,” zei ze, „ai.” Maar, zei ze, omdat ik toch mijn rijbewijs had gehaald in die twee weken, had ik aanleg. Ze vroeg of ik beter kon koken dan de meeste vrouwen.

„Eh,” zei ik.

„Zie je wel,” zei ze. Ze zei dat het ging om verkeersinzicht. De techniek gaat straks vanzelf, het gaat om het inzicht.

„O,” zei ik, „maar dat heb ik heel erg.” Dat heb ik ook: ik ben heel lang fietskoerier geweest en ik heb in die tijd een gevoel ontwikkeld voor auto’s die rechtsaf gaan slaan maar hun richtingaanwijzer niet gebruiken.

„Goed zo,” zei ze. Ik mocht een boek kopen. In het boek stonden technische dingen. „Dan hoeft je leraar straks niet te veel te praten,”zei ze. „Anders krijgt ie zo’n last van z’n keel,” zei ze, en er hoorde een knipoog bij die uitspraak.

Mijn leraar droeg een motorpak. Samen liepen we naar de auto. Hij vertelde dat hij net motorrijles had gegeven. Dat hij meestal in dat pak liep. Laatst had hij zo in de trein gezeten omdat hij een motor weg had moeten brengen en twee meisjes hadden elkaar aangestoten en gezegd: kijk, een leernicht. Maar het deed hem niets, want dat pak was ook handig. Als je met vakantie bent, kan je kleine zakkenrollertjes zo een duw met je elleboog geven, zei mijn leraar. Hier, zei hij, voel maar aan mijn elleboog. Ik voelde maar aan zijn elleboog.

Ik mocht sturen en ik mocht gas geven, de eerste les. De rest deed mijn leraar. „Jullie remmen altijd zo hard,” zei hij.

„De ANWB,” zei hij, „ai.”

Ik reed. Althans: ik stuurde en gaf gas. We reden richting Amstelveen. Ik zei dat ik volgens mij wel een heel goeie instructeur had gehad.

„De ANWB heeft een afspraak met het CBR dat ze een bepaald percentage van de leerlingen laten slagen. Jij zat bij dat percentage.”

Ik vroeg me af of ik me af moest vragen of ik nu beledigd werd. Ik mocht alleen maar sturen en gas geven – hoe kon ik mezelf nu bewijzen? Maar goh, een afspraak tussen de ANWB en het CBR.

Halverwege de les zei ik: „Zal ik nu schakelen?”

Mijn leraar zei: „Als je denkt dat je het kan.”

Ik liet de auto één keer afslaan.

Mijn leraar praatte heel veel. Ik begreep de knipoog van de dame op kantoor.

Toen ik naar huis fietste, keek ik als een automobilist naar het verkeer. Ik zag gaten in de stroom die andere mensen openlieten maar waar ik in zou zijn gesprongen. Als het zo was geweest dat ik een beetje auto kon rijden.

Op de dag van de tweede les was het mooi weer. We reden richting Amstelveen. Mijn leraar leerde me met één hand sturen. Hij zei dat je een linkerbocht veel beter inging als je met je rechterhand stuurde. Het voelde alsof hij gelijk had.

Mijn leraar zei dat hij blij was dat het mooi weer was, eindelijk. Hij zei dat je wel kon zien dat dat verhaal over het broeikaseffect onzin was. Dat de temperatuur over de hele wereld gemiddeld 0.7 graden omlaag was gegaan. „Omlaag. Niet omhoog.”

Ik vroeg of ik al mocht remmen.

„Jullie remmen veel te hard,’ zei hij.

Bij de derde les maakten we een stop bij de bank. Mijn leraar vertelde dat hij een rustige belegger was en dat de bank het niet goed deed. Dat hij zijn geld op wilde gaan nemen en dat ze daar al anderhalve week moeilijk over deden omdat hij het cash wilde hebben. Hij zei dat hij geldstromen niet vertrouwde. Ik maakte een grapje over Zwitserland en het feit dat ik mijn lessen ook contant moest betalen. Hij zei dat er veel dichter bij huis gelegenheid was om je geld te bewaren.

Ik vroeg weer eens of ik mocht remmen.

Hij zei dat wij veel te hard remden. Ik wist nog steeds niet wie wij waren, maar ik voelde me wel heel erg verwant met de anderen.

Pas bij de vierde les mocht ik remmen.

Ik maakte geen afspraak voor de volgende week en reserveerde de Greenwheelsauto voor de deur voor een rit van 12 tot 2, in de nacht. Ik remde heel erg goed, vond ik zelf.