‘Zonder ons was voedsel nog duurder’

In februari was de piek. Sindsdien dalen de meeste voedselprijzen alweer. Van de speculanten die de prijzen opdreven, verliest 90 procent geld. „Een goed afschrikmiddel”, zegt insider Roland A. Jansen.

Grondstoffenhandelaar Roland A. Jansen.

Roland A. Jansen is een voedselspeculant. Hij zegt ook „grondstoffenhandelaar” of, in de taal die hij het meeste gebruikt als hij aan het werk is, „commodity trader”. En hoewel mensen als hij ineens hevig onder vuur liggen omdat ze medeverantwoordelijk zouden zijn voor de hoge voedselprijzen, schaamt hij zich niet voor zijn beroep. In welke taal dan ook. Integendeel.

Allereerst even voorstellen: Jansen (1949) is Nederlander van huis uit. Hij is honorair consul van Nederland in Liechtenstein. Daar woont hij ook – een zeldzaam privilege voor een buitenlander, dat hij dankt aan zijn werk als directeur fondsenmanagement bij de Liechtensteinische Landesbank in Vaduz, in de jaren negentig. Eerder werkte Jansen voor de Amerikaanse agromultinational Cargill en was hij consultant voor de Amerikaanse zakenbank Merrill Lynch. Het bedrijf dat hij nu heeft, Mother Earth Investments Limited, is gevestigd in Pfäffikon. Dat is een Zwitsers dorp vlakbij Zürich, aan de Zürichsee, net in het kanton Schwyz. Veel buitenlandse bedrijven zijn daar de laatste jaren neergestreken omdat belastingtarieven er vaak gunstiger zijn dan in andere kantons.

De media, politici en ontwikkelingsorganisaties hebben de laatste weken een ondubbelzinnig beeld van grondstoffenhandelaars geschapen, zegt Jansen: een inhalige klasse van mensen zonder scrupules die de voedselprijzen wereldwijd tot recordhoogten hebben opgedreven. Mensen die, in airconditioned business-centers zoals hier in geglobaliseerd Pfäffikon, via beeldschermpjes schepen vol graan zo vaak met winst doorverkopen dat dit graan voor honderdduizenden mensen elders op de aardbol niet meer te betalen is. Mensen die profiteren van schaarste, die verdienen aan de honger van anderen. Socialistisch Europarlementariër Martin Schulz, een Duitser, noemt ze „cynische uitbuiters van de allerarmsten” en „casinokapitalisten”. De Zwitser Jean Ziegler, die tot deze maand voedselrapporteur was voor de Verenigde Naties, had het vorige week in deze krant over „kosmocraten”.

In een conferentiezaaltje van Seedamm Plaza, het nieuwe en nu al compleet verhuurde zakencomplex (compleet met restaurants en roulettetafels) waar hij kantoorruimte heeft, laat Roland Jansen deze denigrerende termen opmerkelijk stoïcijns over zich heenkomen. Sterker nog: hij bevestigt een deel van deze kritiek volmondig.

„Het klopt”, zegt hij, „dat veel beleggers zich de laatste maanden ineens op grondstoffen hebben gestort. Het is niet de belangrijkste reden dat de voedselprijzen zo zijn gestegen, maar het speelt mee. Tot 1 januari 2008 was er mondiaal 169 miljard dollar (109,5 miljard euro) geïnvesteerd in grondstoffen. Nu, een paar maanden later, is dat al 225 miljard dollar. Beleggers hebben genoeg van de turbulentie op de financiële markten. Anderen proberen hun verliezen in de Amerikaanse subprime-malaise te compenseren door geld ineens in bepaalde grondstoffen te steken. Ze hebben gehoord dat inflatie slecht is voor aandelen, maar goed voor grondstoffen. De laatste maanden zijn veel aandelen gedaald, maar de meeste grondstoffen zijn in waarde gestegen.”

Die trend was er sowieso, ook zonder deze nieuwe beleggers. Al in 1998 schreef Jansen, die zijn hele leven in de grondstoffen zit, het boek Profits from Natural Resources; How to Make Big Money Investing in Metals, Food and Energy. Daarin legt hij uit waarom veel grondstoffen schaarser worden en hoe je daar op een verstandige manier van kunt profiteren. Het enige waarop Jansen zich in dit boek glorieus verkeek, zijn auto’s op waterstof. Dat zijn er veel minder dan hij destijds dacht. Voor de rest is alles uitgekomen, woord voor woord. Het boek is uitverkocht. Jansen werkt aan een nieuw boek, dat dit najaar moet verschijnen.

Mother Earth, dat ook kantoren heeft in New York en Singapore, beheert ongeveer 100 miljoen dollar. Onder zijn grotere klanten telt Jansen banken, pensioenfondsen en family offices – ofwel bureaus, kleine bankjes eigenlijk, die de financiën van vermogende families beheren. Die zoeken geen spectaculaire winstpercentages, maar duurzaam rendement. Voor hen stelt hij ‘mandjes’ samen met van zowat elke grondstof een beetje erin: een mix van olie en gas, industriële metalen als koper en zink, edelmetalen als goud en zilver, granen als rijst en tarwe, en tropische producten zoals koffie, rubber en cacao. Zo spreid je risico’s. „Ik gooi er nooit iets uit. Ik varieer wel percentages. Deze week sloten ze in Chili een kopermijn wegens stroomstoringen. Dan komt er minder koper op de markt en stijgt de prijs. Op zo’n dag doe ik wat extra koper in de mandjes.”

Je moet dat weloverwogen doen, vindt Jansen. Nooit overhaast. „Anders verstoor je de markten. Daar heeft niemand wat aan. Overigens heb ik weinig invloed op de grondstoffenprijzen: de 100 miljoen dollar die ik beheer, is niets op het totaal van 225 miljard dollar. Maar als iederéén als een kip zonder kop gaat kopen en verkopen, wordt het een gekkenhuis. De tweede reden waarom ik probeer voorzichtig te werk te gaan, is dat het om geld van anderen gaat. Met pensioenfondsen- en andere institutionele beleggers moet je op zeker spelen. Die willen geen pieken en dalen.”

Zoals Jansen het beschrijft, kunnen speculanten een remmende werking hebben op prijzen van grondstoffen zoals rijst. Vraag en aanbod bepalen de prijs. Maar handelaars kopen en verkopen vaak op termijn, waardoor de markt redelijk stabiel kan blijven. „Zonder speculanten”, zegt hij, „zouden voedselprijzen de afgelopen maanden nog harder zijn gestegen.”

Hij heeft het uiteraard over bona fide speculanten, mensen met verstand van de markt die weten wat ze doen. De ellende is dat veel van de nieuwe voedselspeculanten wel paniekzaaiers zijn. In de statistieken van grondstoffenprijzen – zoals de Mother Earth Index, een prijsoverzicht van 26 grondstoffen dat hij voor beleggers produceert – zie je al jaren een stijgende lijn met ineens een enorme piek naar boven in februari 2008. Dat was precies het moment waarop veel hedgefondsen en beleggers Wall Street de rug toekeerden en als bezetenen grondstoffen begonnen te kopen. Jansen moet niets van hen hebben. „Ze hebben ego’s, zijn emotioneel. Ze missen ervaring, doen geen research en kijken alleen naar winsten op korte termijn.”

Deze nieuwe speculanten spelen het spel vaak „met leverage”, kortom, ze kopen grondstoffen met een beetje eigen geld en veel geleend geld. Leverage is gevaarlijk, vindt Jansen. Wie zijn eigen geld in grondstoffen steekt, neemt een gecalculeerd risico: als hij niet goed nadenkt, is hij alles kwijt. Wie hetzelfde doet met geld van de bank, is roekelozer: het is toch zijn geld niet.

Daarom zegt Jean Ziegler, de voormalige VN-voedsel-rapporteur, dat de belangrijkste grondstoffenbeurs ter wereld – de Chicago Commodities Stock Exchange – van speculanten moet eisen dat ze niet met minimaal 5 procent eigen geld komen, maar met 30 procent. Jansen, die nooit met geleend geld zegt te kopen, beaamt dat zo’n maatregel op korte termijn de slechte speculanten „eruit kan wieden. Maar op lange termijn is dat niet nodig. Veel voedselprijzen dalen alweer. Na het hoogtepunt in februari gingen koffie, tarwe, suiker, sojabonen en palmolie al flink omlaag. Rijst daalt lichtjes. Alleen maïs zit nog hoog. 90 procent van de nieuwe speculanten verliest geld. Een goed afschrikmiddel.”

Grondstoffenprijzen hebben sinds het jaar 1800 vijf keer hevig gepiekt – meestal tijdens oorlogen. We bevinden ons nu, zegt Jansen, in de „zesde supercyclus”. Die is hoger dan alle voorgaande cycli (Jansens Mother Earth Index is sinds 1999 liefst 534 procent gestegen). Dat komt door een samenspel van factoren. Zo is er door de enorme economische groei een nieuwe middenklasse ontstaan die meer verdient, meer energie verbruikt, meer eet, meer vervuilt en meer bouwt op landbouwgrond. „Honderden miljoenen meer consumenten, alleen al in Azië: dat drijft de prijzen van grondstoffen op”, zegt Jansen, die ook merkt dat staatsfondsen steeds meer voedsel opkopen. Verder mislukken er door klimaatveranderingen vaker oogsten en veranderen akkers in woestijnen. Ook geopolitieke spanningen veroorzaken prijsstijgingen van grondstoffen. Het conflict in het Midden-Oosten wordt verergerd door watertekorten. De Irak-oorlog verstoort de olieproductie. Als er onrust is in Nigeria, zoals nu, ligt de olieproductie er meteen stil. De druk op de prijzen komt, kortom, van alle kanten. „Moeder aarde kan de vraag niet meer aan”, zegt Jansen.

Zo produceert Saoedi-Arabië officieel 9,1 à 9,5 miljoen vaten olie per dag. Maar Jansen vermoedt dat het er in werkelijkheid maar 8,5 miljoen zijn. „Dat heb ik van de beste geoloog ter wereld. In Ghawar, een van de grootste en oudste olievelden van Saoedi-Arabië, is de druk zo zwak geworden dat ze 20 miljoen vaten zeewater per dag moeten injecteren om de olie nog naar boven te krijgen. Er komt ook minder olie uit Mexico of Noorwegen. Terwijl de vraag, vooral in Azië, hard stijgt. Ik zie de olieprijzen zo oplopen tot 200 dollar per vat. We hebben snel nieuwe vormen van energie nodig om onze behoeftes te bevredigen. In de twintigste eeuw stortten knappe koppen zich op technologie. In de eenentwintigste zoeken ze uit alle macht nieuwe energie. In Silicon Valley is het sleutelwoord niet meer ‘computer’, maar ‘renewable energy’.”

Velen halen die ‘renewable energy’ uit eetbare gewassen. In Brazilië werden vorig jaar twee miljoen auto’s verkocht die op een mengsel van benzine en ethanol rijden dat van rietsuiker is gemaakt – 85,6 procent alle autoverkopen in 2007 in dat land. 30 procent van alle Amerikaanse maïs werd vorig jaar gebruikt voor biobrandstof. Volgens Jansen is dit totaal de verkeerde weg. „Het veroorzaakt een gruwelijke concurrentie tussen 800 miljoen hongerigen en 800 miljoen auto’s. Politici zijn medeschuldig. Zij stimuleren dit. In de Europese Unie moet 10 procent van alle transportbrandstof in 2020 bio zijn. President Bush wil de productie van ethanol verdubbelen in 2022.”

Sommige beleggers zetten agressief in op ethanol. Het levert hoog rendement, al stoot het mensen direct het eten uit de mond. Maar Jansen is voor een totaal moratorium op deze biobrandstoffen.

Hij investeert wel in biobrandstof van de zogeheten ‘tweede generatie’: gemaakt van niet-eetbare stoffen. Hoe hoger de olieprijzen, hoe meer research er in algen, cellulose en andere potentiële energieleveranciers gaat, zegt hij. Het troetelkind van Mother Earth heet ‘jatropha curcas’. Dat is een giftige struik die in de Middeleeuwen al werd gebruikt als purgeermiddel (om de darmen schoon te maken). Jatropha produceert noten waaruit olie geperst kan worden. Die kunnen niet worden gegeten door mens of dier. Jatropha groeit in steppes en woestijnachtig gebied, en hoeft dus niet te worden gekweekt op schaarse landbouw- of bosgrond. De plant heeft weinig water nodig. Hij groeit in landen in een brede band rondom de evenaar – arme landen die meer werkgelegenheid goed kunnen gebruiken. Jatrophanoten worden met de hand geplukt, niet machinaal. En, anders dan soja en palmolie: jatropha absorbeert CO2. Vervuilers kunnen er carbon credits mee scoren, volgens het Kyotoverdrag.

Japan liet tijdens de Tweede Wereldoorlog legervoertuigen op jatropha lopen. Maar omdat gewone olie altijd zo goedkoop was, was er geen reden om het verder te ontwikkelen. Nu wel.

Jansen laat foto’s zien van „de nieuwe olievelden” op het Chinese eiland Hainan. In Indonesië. In Timor. Mercedes liet er al testauto’s op lopen. Bij Basel komt een raffinaderij waar olie uit noten wordt geperst – kennelijk een simpel proces. De olie kan zo in een dieselmotor. Het Zwitserse bedrijf Migros wil diesel met jatropha-olie mengen. Chinezen maken brandwondenzalfjes van jatropha, kankermedicijnen en zelfs piepschuim. „De commerciële wereld springt er bovenop”, zegt Jansen. „De financiële wereld zit nog te slapen. Ik ben de eerste ter wereld die er een fonds voor opzet.”

Jansen geeft toe: niemand weet wat velden vol van deze giftige planten op den duur met de grond, de lucht en de volksgezondheid doen. De Duitse farmaceut Bayer doet hier onderzoek naar. Maar verder lijkt er weinig mis met de jatrophahandel. Integendeel. De plant heeft de potentie om de schaarste aan brandstof te helpen bestrijden. En om daarmee ook de stijging van de voedselprijzen binnen de perken te houden. Alles hangt met alles samen, net als in die mandjes van Jansen. Nu maar afwachten of de snelle jongens van Wall Street het feest niet nog eens komen verstoren.