‘Wij hebben het recht niet pessimistisch te zijn’

In 2003 staken plunderaars de Nationale Bibliotheek in Irak in brand, maar dankzij directeur Eskander was hij snel weer open. ‘Als je land in crisis is, ga je niet weg.’

Na de val van Bagdad in 2003 werden het gezaghebbende Irak Museum en de Nationale Bibliotheek zwaar geplunderd. De bibliotheek werd ook in brand gestoken: bijna 90 procent van de oude boeken, 60 procent van de archieven, de meeste foto’s en de hele inrichting gingen verloren. Het museum is vijf jaar later nog altijd voor het publiek gesloten, maar de bibliotheek is allang weer open.

„Het zijn symbolen van de gemeenschappelijke geschiedenis voor alle Irakezen en naar mijn mening zijn die in een crisis als de onze van het grootste belang”, zegt bibliotheekdirecteur dr. Saad Eskander. „Ik vind het onbegrijpelijk dat het museum nog dicht is.”

Eskander maakte deel uit van het Koerdische verzet in Noord-Irak tegen het bewind van Saddam Hussein – „bij een ondergrondse krant, het Nieuwe Pad, niet als strijder”. Eind jaren tachtig, toen Saddam zijn genocidale Anfal-campagne tegen de Koerden lanceerde, vluchtte hij naar Iran en uiteindelijk naar Londen, waar hij geschiedenis studeerde en promoveerde.

Met een groep Iraakse intellectuelen ging Eskander (44) eind 2003 terug naar Irak om mee te werken aan de wederopbouw. De situatie was toen al zo slecht dat zijn metgezellen na twee weken weer vertrokken. „Ik was de enige die bleef”, zegt hij in een vraaggesprek tegen een toepasselijke achtergrond van boeken in de British Library in Londen. „Als je land in crisis is, ga je niet weg.” Eskander bracht twee weken geleden een kort bezoek aan Engeland.

Drie groepen plunderaars raasden in april 2003 door de bibliotheek: gewone mensen die meenamen wat ze tegenkwamen, beroepsdieven die uit waren op zeldzame boeken en de brandstichters. Het ging de laatste groep volgens Eskander om documenten van Saddams regime. „Die gingen heel professioneel te werk; van dat archief is geen stukje papier over.”

De bibliotheek was nog een ruïne toen Eskander in december als nieuwe directeur zijn eerste vergadering met het personeel belegde. „Ik wist dat er schade was, maar niet hoeveel. Er zaten zelfs beesten binnen. Het was een totale chaos.”

Hij had volstrekt geen managementservaring. „Maar ik wist als historicus dat de mens de belangrijkste factor is om verandering te bewerkstelligen. Ik wilde op de kortst mogelijke termijn een leeszaal openen, zelfs zonder dat de renovatie goed en wel op gang zou zijn gekomen. Mijn overtuiging was dat dit een belangrijke aanzet zou zijn om mensen weer in zichzelf te laten geloven en aan de toekomst te gaan werken. Dus ik vroeg het personeel: is dat haalbaar? En zij zeiden: nee.”

Maar het lukte wél en op 8 juli 2004 werd de eerste leeszaal feestelijk geopend. „Negentig procent van het gebouw was nog steeds kapot, maar die ene kleine leeszaal vormde een keerpunt. Ik zei tegen mijn staf: laat het maar aan mij over; we sloten een soort contract. Ik reisde naar het buitenland om geld en uitrusting los te krijgen.”

Italië gaf bijvoorbeeld apparatuur en trainde personeel; de British Library stelde onder andere veel Iraaks historisch materiaal op microfilm ter beschikking en kopieën van oude kaarten. Volgens Eskanders laatste cijfers wordt de leeszaal nu maandelijks door 800 mensen bezocht (ter vergelijking: 33.000 in de British Library).

„Ik vind dat we het leven zoveel mogelijk moeten normaliseren omdat anders de krachten van het duister de overhand krijgen en het normale abnormaal maken. Daarom moet het Irak Museum ook open. Daar voeren ze aan dat de veiligheidssituatie nog te slecht is. Maar terroristen slaan toe ongeacht of je open of dicht bent. En de kinderen gaan toch ook naar school? Bij het museum zijn ze kennelijk banger dan de kinderen.”

Eskander beschreef van november 2006 tot juli 2007, toen de burgeroorlog op zijn hoogtepunt was, in een dagboek op de website van de British Library de omstandigheden waaronder zijn 300 employé(e)s en hij moesten werken. Iedereen was doelwit, werknemers werden ontvoerd, vermoord, gewond, verloren familieleden: „De bibliotheek was de microkosmos van de maatschappij”. Maar, zegt hij ook, de mensen pasten zich aan. „De Irakezen hebben sinds 1980, toen de oorlog tegen Iran begon, onder erg abnormale omstandigheden geleefd. Als je honderden explosies meemaakt, besteed je er geen aandacht meer aan.”

Inmiddels is de veiligheidssituatie verbeterd. „We realiseren ons dat we geen vijanden van elkaar zijn. Onze vijanden, dat zijn Al-Qaeda en de buurlanden, Syrië en Iran. In sunnitisch gebied vechten de mensen nu tegen Al-Qaeda. De regering voert in Sadr City in Bagdad oorlog tegen het shi’itische Leger van de Mahdi, dat grotendeels bestaat uit door Iran gesteunde onwetenden. Dat gevecht is van doorslaggevend belang. Als de regering wint, zal Irak binnen twee jaar veilig zijn”, voorspelt hij.

Zijn bibliotheek moet in zijn optiek dienen als model voor een democratisch, niet-sektarisch Irak. „Deze bibliotheek ging onder Saddam Hussein maar van één groep uit: leiders, commandanten. Het was geen nationale bibliotheek en nationaal archief, en nog steeds niet. We moeten de collectie uitbreiden zodat ook de slachtoffers, de soldaten, de mensen aan bod komen.”

Eskander levert nu slag met Kanan Makiya, die het archief van Saddam Husseins Ba’athpartij naar de VS heeft meegenomen en eerder dit jaar aan het conservatieve Hoover-instituut heeft overgedragen. Voor een periode van vijf jaar voorlopig. Volgens Makiya, die in 1989 onder de naam Samir al-Khalil Saddams onderdrukkingsmethodes aan de wereld bekendmaakte in zijn geruchtmakende Republic of Fear, is Irak nog niet in staat het archief te beheren.

Eskander is het daar absoluut niet mee eens. Volgens hem hoort dit archief – en andere archieven die de Amerikanen meenamen – in Irak. „Democratie is niet alleen maar verkiezingen. Er is geen democratie mogelijk zonder dat iedereen toegang heeft tot de werkelijke gegevens zonder censuur. Slachtoffers van Saddams regime moeten er toegang toe hebben zodat de schuldigen kunnen worden gestraft. Hoe kan je beslissingen nemen als je niet op de hoogte bent van de feiten? Hoe kunnen we wetten aannemen zonder van de feiten kennis te nemen?”

Makiya, die na de invasie terug is geweest in Irak maar na korte tijd weer naar de VS vertrok, zegt voor de verhuizing van het archief naar het Hoover-instituut toestemming te hebben gekregen van de Iraakse regering. Van zijn vriendjes in de regering, schampert Eskander. Hij betoogt dat niet de regering hierover gaat, maar het parlement. „Wij zijn de hoogste autoriteit in deze, wij in Bagdad. Hij zit in het buitenland; wij betaalden een hoge prijs.”

Eskander was indertijd voorstander van de Amerikaanse invasie – „net zoals Europa in de Tweede Wereldoorlog hadden we een buitenlandse macht nodig om ons te bevrijden” – maar is al dat bloedvergieten de moeite waard geweest? „We betalen een hoge prijs, maar vrijheid gaat nu eenmaal over het betalen van prijzen. Kijk maar maar de Franse revolutie, die werd gevolgd door burgeroorlog. Pas in 1870 kwam een burgerlijke republiek tot stand.”

„Mensen als wij, parlementsleden, ministers, hebben het recht niet om pessimistisch te zijn. We hebben een voorbeeldfunctie naar de bevolking toe. Als wij pessimistisch zijn, zal het de mensen demoraliseren. Al zijn we bang, we moeten dat verbergen. Tot het allerlaatst.”

„Maar helaas doen niet veel mensen dat.”