Veel mannen en een vrouw

Wie zijn de talking heads op televisie? Een kwantitatief onderzoek met conclusies. De publieke omroep blijkt niet zo links als wel wordt beweerd.

Tot op de laatste dag was het een nek-aan-nekrace tussen Alexander Pechtold en Rita Verdonk. Met een paar ‘kwootjes’ over nationale trots in de Koninginnedageditie van Één vandaag maakte Verdonk het verschil. Ze was sinds 1 februari in negentien afleveringen van de agendabepalende televisierubrieken aan het woord gekomen: vijf keer in Nova en Één vandaag, vier keer in Netwerk, twee maal in De wereld draait door en Pauw en Witteman en een keer in Buitenhof. De fractievoorzitter van D66 haalde elf van zijn achttien punten in Nova/Den Haag Vandaag.

Aan de borreltafel, in de Tweede Kamer of bij het Commissariaat voor de Media wordt nog wel eens geklaagd over het gebrek aan representativiteit van de publieke omroep. De indruk bestaat dat de mensen die je op de televisie ziet anderen zijn dan degenen die de Nederlandse samenleving uitmaken. Ook klinkt de vaak terugkerende klacht dat de omroep te ‘links’ is. Het bestuur van de Publieke omroep kondigde daarover eind vorig jaar een onderzoek aan. Maar dat werd vorige maand afgeblazen: een dergelijk onderzoek bleek te gecompliceerd en te duur.

Als beeldrecensent probeer ik dagelijks de meest gezaghebbende rubrieken te volgen. Vanaf 1 februari ben ik begonnen te noteren wie daarin verschenen. De daaropvolgende onderzoeksperiode van drie maanden is willekeurig en niet meer dan een beginnetje. Echte wetenschappers mogen het project naar behoefte voortzetten. Ze mogen zo mijn blocnotes met duizenden alfabetisch geordende namen hebben.

De spelregels staan in het kadertje bij dit artikel. Over de selectie van de programma’s valt te discussiëren. Ik koos voor algemene rubrieken die het hele maatschappelijke spectrum lijken te willen volgen. De commerciële zenders hebben op dit moment nauwelijks zulke spraakmakende rubrieken en de representativiteit van RTL en SBS is geen onderwerp van publiek debat. Programma’s met specifieke aandachtsgebieden (sport, showbizz, economie) bleven buiten beschouwing. Het feit dat Nova onlosmakelijk is verbonden met Den Haag Vandaag verklaart gedeeltelijk de oververtegenwoordiging van politici. Maar zij zijn overal, de volksvertegenwoordigers die gezag ontlenen aan hun politieke mandaat.

Het is in de huidige, op egalitaire beginselen gestoelde Nederlandse samenleving lastig om vast te stellen wiens mening er op welke gronden toe doet. De oude achterbannen bieden niet meer een vanzelfsprekende legitimatie van spraakmakers. De identiteit van de omroepzuilen garandeert evenmin dat de eigen boegbeelden voorrang krijgen. Deskundigen en journalisten doen ertoe op televisie, maar het zijn vooral politici die het publieke debat beheersen. Hun populariteit wordt juist voor een groot deel bepaald door de frequentie van hun optreden op de buis.

Om praktische redenen was het niet mogelijk alle gasten en sprekers te categoriseren. De bevindingen beperken zich tot het corpus van 296 talking heads die de afgelopen drie maanden meer dan eens in een van de zeven onderzochte rubrieken verschenen. Van hen zijn er 62 leden van vertegenwoordigende organen, onder wie 58 van de Tweede Kamer. Nog eens 36 maken deel uit van het openbaar bestuur, onder wie 24 kabinetsleden. De minst zichtbare minister is Ab Klink (Volksgezondheid, CDA).

Voeg daar drie regeringsadviseurs bij en elf politici zonder ambt (in ruste of slechts partijlid) en het totaal van de politieke gasten komt op 112, ofwel 38 procent. In de top-100 loopt hun aandeel zelfs op tot een ruime meerderheid van 62.

Afgezien van de vraag welke politici het meest gevraagd worden is natuurlijk vooral van belang of de afspiegeling van de partijen klopt met de samenstelling van de Tweede Kamer. Om de cijferbrij overzichtelijk te houden, heb ik alle talking heads met een openlijke partijpolitieke affiliatie (en dat zijn niet alleen politici) ingedeeld in drie categorieën: links (PvdA, SP, GroenLinks en PvdD), midden (CDA. D66 en ChristenUnie) en rechts (VVD, PVV, SGP en groep Verdonk). Uit de graphic ‘Verdeling naar partij’ blijkt dat de aandelen van de drie segmenten onder de politiek niet-neutrale sprekers opvallend overeenstemt met de huidige zetelverdeling: 47 procent links (45 in de Kamer), 26 procent midden (33) en 27 procent rechts (22). Uitgesplitst naar afzonderlijke partijen zijn vooral SP en CDA op televisie ondervertegenwoordigd, de meeste andere partijen zijn licht oververtegenwoordigd, met een gematigde uitschieter voor de PvdA (28 procent op televisie, 22 procent in de Kamer). We kunnen uit deze cijfers voorzichtig concluderen dat in partijpolitiek opzicht de publieke omroep representatief is, met een lichte voorkeur voor rechts en de PvdA, en een ondervertegenwoordiging van het CDA. Wellicht komt dit ook doordat er in de grootste politieke partij weinig problemen lijken te zijn.

Je kunt veronderstellen dat de voorkeur van redacties wordt beïnvloed door de populariteit van de boodschap (Verdonk) en de verbale aantrekkelijkheid van de spreker (Pechtold, Marijnissen). Oppositieleiders zorgen per definitie voor vuurwerk en controverse; de fractievoorzitters van de regeringspartijen staan opmerkelijk laag in het klassement: Mariëtte Hamer (PvdA, staat op 21), Pieter van Geel (CDA, 35) en Arie Slob (ChristenUnie, 65). VVD-leider Mark Rutte (11) moet zelfs twee fractiegenoten (Henk Kamp op 6 en Fred Teeven op 9) laten voorgaan. Je kunt bij de VVD een strategie vermoeden, die erop is gericht om meerdere woordvoerders het mediaveld in te sturen: ook Paul de Krom en Hans van Baalen halen de top-20.

Aan de andere kant staan partijen die door hun geringe personele omvang (D66, Trots op Nederland) of hun verticale structuur (SP) alle kaarten zetten op hun leider. Ook daar is mediastrategisch veel voor te zeggen. Alleen de afwezigheid in de breedte en aan de top van de CDA-fractie blijft een raadsel. Slechts vier leden van de grootste fractie in de Tweede Kamer (Van Haersma Buma, Ormel, Koopmans en De Vries) staan naast Van Geel in de top-100.

Opvallend is dat in de top-100 slechts één enkele ondernemer staat, mediamagnaat Joop van den Ende, op de laatste plaats. Het hele corpus bevat er nog tien, en dat zijn nauwelijks captains of industry. Voor de medische en de onderwijssector zijn de cijfers nog lager. Medisch specialisten, huisartsen en verpleegkundigen zijn wel vaak in beeld, maar op twee plastisch chirurgen na behoren zij allen tot het legioen van mensen met slechts één optreden in de onderzochte periode, de dwaalgasten.

De vertrouwde gezichten buiten de beroepspolitici behoren vooral toe aan beschouwers: deskundigen of wetenschappers, journalisten of programmamakers. Na de entertainers en kunstenaars (28) vormen de deskundigen (24) en (televisie)journalisten (23) de grootste contingenten. Alleen de schrijvers (22) komen in de buurt, maar dat kan aan de Boekenweek en de dood van Hugo Claus hebben gelegen.

Het mechanisme dat aan de populariteit van de maatschappelijke buitenstaanders en observanten ten grondslag ligt, kan goed duidelijk gemaakt worden aan de hand van de sportcategorie (elf actieve sporters, trainers en officials). De sporters zelf staan lager op de lijst dan de trainers, en die moeten weer het hoofd buigen voor de sportbestuurders. Maar het allerhoogst staan de analisten en sportjournalisten. De reden is duidelijk: hoe groter de afstand tot de directe maatschappelijke activiteit, hoe meer spraakwater en analytisch vermogen, en dat is wat televisierubrieken het liefst laten zien.

Per definitie goed van de tongriem gesneden advocaten zijn daarom eveneens bijzonder populaire gasten. Er staan er vier in de top-100 en nog tien andere in het complete corpus. Zij zijn letterlijk de woordvoerders van om voor de hand liggende redenen vaak onbeschikbare verdachten. Vertegenwoordigers van het openbaar ministerie en van de rechterlijke macht zie je haast nooit.

In dit verband is het ook opmerkelijk dat sommige personen in het nieuws zelden of nooit zelf voor de camera verschijnen. Joran van der Sloot, Lucia de B. en Johan Cruijff haalden nul punten en Geert Wilders maakte pas in de loop van maart voor het eerst zijn opwachting. Toch werd er wekenlang veel over hen gesproken in de actualiteitenrubrieken.

Waar de redacties ook dol op zijn is het ontstaan van burgerinitiatieven. Vooral als een bekende Nederlander een misstand aan de kaak stelt, een justitiële dwaling of de mensenrechten in China, dan is de kans groot dat de dagelijkse rubrieken er tijd voor inruimen.

Ik heb er van afgezien om mensen met een niet-Nederlandse afkomst te turven, omdat de definities van allochtoon of migrant zo diffuus zijn geworden. De lijst bevat zeker andere namen dan De Vries of Jansen, maar zou advocaat Gerard Spong, die een Surinaamse achtergrond heeft, dan in dezelfde categorie moeten worden geplaatst als Ahmed Marcouch of Efshin Allian?

Het verrassendste resultaat van deze eerste inventarisatie van eigenschappen van de spraakmakers op televisie betreft hun geslacht. Op basis van onder meer het percentage van de Kamerleden had ik geschat dat het aandeel van de vrouwelijke talking heads ruim onder de helft zou uitkomen, laten we zeggen een derde. De werkelijkheid is veel schever.

Van die 296 getelde meervoudige sprekers zijn er 75 vrouw (iets meer dan een kwart). In de top 100 daalt hun aandeel zelfs tot zestien procent. Vijf van de zes regelmatig verschijnende gasten en deskundigen zijn dus mannen.

Vrouwelijke bewindslieden zijn veel minder in beeld dan mannelijke en hetzelfde geldt voor Kamerleden, met uitzondering van Rita Verdonk en in mindere mate Femke Halsema (GroenLinks, 7).

Als televisiepresentatoren worden aangesproken op het geringe aantal vrouwelijke gesprekspartners, dan komen ze vaak met hetzelfde argument als werkgevers of kabinetsformateurs. Ze willen wel meer vrouwen uitnodigen, maar die zijn niet te vinden of geschikte kandidaten missen de ambitie. Bij mijn weten bestaat een groot deel van de onzichtbare redacties van de onderzochte rubrieken uit vrouwen, dus zou een seksistische verklaring voor het selectiebeleid te simpel zijn. Misschien is het gewoon waar dat veel vrouwen geen behoefte hebben aan de status van talking head of Bekende Nederlander.

Als we naar de leeftijd van de bekende gezichten kijken, neemt de representativiteit van de talking heads nog verder af. Slechts twee van de eerste honderd zijn onder de dertig: de 27-jarige Tofik Dibi op 19 en de 23-jarige Ehsan Jami op 97. Wanneer we ook de talking heads jonger dan veertig meetellen, dan komt het totaal op veertien van de eerste honderd. Ruim de helft van de Nederlandse bevolking is niet ouder dan 39, in 2005 was 27,4 procent tussen de twintig en de veertig jaar oud.

Bij jongeren lijkt een gebrek aan televisieambitie geen factor van betekenis. Wel is het begrijpelijk dat programma’s graag mensen met ervaring en van oudsher bekende gezichten uitnodigen. Zo haalde oud-minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot een opmerkelijke 34ste plaats (net boven zijn opvolger en partijgenoot Maxime Verhagen) en zijn ook de ministers van staat Van Mierlo en Van den Broek nog steeds in trek.

Pas wanneer slecht in de mal van praatprogramma en actualiteitenrubriek passende, originele persoonlijkheden bij uitzondering in beeld verschijnen, valt op hoe weinig verfrissend de rest van het peloton is. Deze week waren Herman Stevens (consul van Birma) en D. Hooijer (winnaar van de Libris Literatuurprijs) mooie voorbeelden van afwijkingen van de norm. Zij gaven korzelige, weinig meegaande antwoorden en bleven helemaal zichzelf. Ook blijkt dan uit de verwarring van hun interviewers hoe groot de gewenning is aan de gebruikelijke leveranciers van kant-en-klare soundbites.

Toch zijn de gewiekste televisiesprekers vaak te prefereren boven de stem van het volk. In toenemende mate komen ook de niet bekende Nederlanders aan het woord: aanhangers van Geert Wilders, slachtoffers van misdaden of zeldzame ziektes en hun familieleden, locale bestuurders, politieagenten of studenten. Dat ze niet in de resultaten van dit onderzoek figureren heeft te maken met het feit dat hun verschijning vrijwel altijd incidenteel is en ze dus niet kunnen uitgroeien tot bekende gezichten. Vaak beschikken ze ook in veel mindere mate over de gave van het woord en is hun optreden daardoor geen onverdeeld genoegen voor de kijker.

De maatschappelijke versplintering heeft ertoe geleid dat de zegslieden van het middenveld over minder gezag beschikken. En voorzover ze nog wel zijn georganiseerd in vakbonden, brancheorganisaties of andere belangengroepen lijken deze zich in weinig aandacht van de televisie te mogen verheugen. Daar heeft men meer oog voor het opvallende individu, de televisiegenieke persoonlijkheid.

Toch moeten die ook te vinden zijn onder ambtenaren, industriëlen, leraren, wetenschappers en kunstenaars. De twee laatstgenoemde categorieën zijn nog wel aan te treffen in de onderzochte televisierubrieken, maar de selectie is beperkt tot een handvol deskundigen en sterren. Er zijn zelfs mensen op wie beide kwalificaties van toepassing zijn.

Wat vooral ontbreekt zijn de originele denkers, de creatieve geesten, de eigenheimers, intellectuelen en non-conformisten. Ze laten zich vermoedelijk deels afschrikken door de onmogelijkheid om in het formaat van een snelle dagelijkse nieuwsrubriek een betoog tot een goed einde te brengen. De televisie denkt dat de kijker korte, flitsende interacties wil, met een ondervrager die de touwtjes strak in handen probeert te houden. Het is de vraag of dat waar is; in ieder geval worden we op die voorkeur afgericht.

Van de zeven geturfde programma’s slagen De wereld draait door en Buitenhof er het best in om de spiraal van voorspelbaarheid te doorbreken. Buitenhof neemt meer tijd per gast en daardoor maakt een gedachtegang soms een grotere kans te worden afgemaakt. En Matthijs van Nieuwkerk beschikt als een van de weinige interviewers op televisie over het vermogen om al interrumperend en afkappend toch soms snel tot de essentie te komen.

Beide rubrieken onderscheiden zich eveneens door het hoge percentage gasten dat niet de top-100 haalde. De redactie doet moeite om andere geluiden op te sporen en voor te geleiden en zo verder te kijken dan de kleine groep van machthebbers in de mediacratie.

De selectie van sprekers in de televisierubrieken die de maatschappelijke agenda bepalen lijkt in grote lijnen wel representatief, waar het de politieke partijen betreft. Het midden heeft het moeilijker dan de extreme vleugels. De dominantie van volksvertegenwoordigers en politieke bestuurders wijst op het tegendeel van depolitisering van de samenleving.

Zeker niet representatief is het aandeel van vrouwen en jongeren in de spreektijd op televisie. Met name geldt die scheefgroei voor de mensen die het vaakst in beeld verschijnen.

Nog slechter vertegenwoordigd zijn de zegslieden van maatschappelijke organisaties en stromingen, van vakbonden, kerken, bedrijfsleven, gezondheidszorg en onderwijsinstellingen. Er zijn politici die aan deze sectoren refereren als „de haarvaten van de samenleving.” Populisten beroepen zich zelfs graag op het onzichtbare deel van de natie, van alles dat niet tot de politieke en culturele elite behoort. Maar Nederland bestaat niet alleen uit een handvol invloedrijke spraakmakers en een massa van individuele paria’s. Daartussen in bevinden zich talloze netwerken en stakeholders. Hun geringe aanwezigheid op televisie vormt het opvallendste gemis.