Tropische zonde

In Suriname groeit het aantal meldingen van kindermisbruik, maar het onderwerp blijft taboe. „De gevallen die aangifte doen vormen maar een topje van de ijsberg.”Nina Jurna

Saida kan zich de eerste keer dat het gebeurde nog precies herinneren. Ze was drie jaar, en alleen thuis met haar vader. Hij lag op de bank, zij zat op de grond een boekje te lezen. Iets over een olifant die jarig was en een taart kreeg, weet ze nog. Plotseling zag ze hoe haar vader zijn broek open maakte, zijn penis eruit haalde en zich begon af te trekken. Toen ze vroeg wat hij aan het doen was moest ze bij hem komen. „Zuig het”, zei hij en drukte zijn penis in haar kleine mond. Vanaf dat moment werd Saida stelselmatig door haar vader misbruikt. Verzet bieden had geen zin, haar vader was veel sterker, zo redeneerde ze, en haar moeder deed alsof haar neus bloedde. Daarbij was er dan ook nog haar broer, die zoals dat in veel Hindoestaanse gezinnen het geval is, alles mocht, terwijl Saida niets te zeggen had, het hele huishouden moest regelen en ’s nachts ook nog door haar vader werd lastig gevallen.

Nu is ze 24, heeft drie kinderen van twee verschillende mannen. De kinderen wonen niet bij haar, maar zijn in verschillende pleeggezinnen en tehuizen geplaatst. Zelf leidt ze een zwervend bestaan, belandde in de prostitutie, en raakte zwaar verslaafd aan crack.

In Suriname wemelt het van verhalen zoals dat van Saida. Hoewel je het in eerste instantie niet zou verwachten in een land waar het beeld van de gezellige familiesfeer overheerst, komt incest juist in Suriname, binnen de huiselijke sfeer, veel voor. Achter de façade van de hechte familiebanden schuilt vaak een onbekende en ellendige wereld. Ouders maar ook ooms, tantes, opa’s en huisvrienden delen vaak een huis uit economische redenen. Volwassenen en kinderen slapen in een ruimte.

Het taboe op incest en kindermisbruik is nog groot. Men schaamt zich er voor, wil er niet over praten. Hoewel het onderwerp in de media een steeds prominentere plek inneemt, en aan incest gelieerde rechtzaken uitgebreider dan vroeger worden beschreven. Dat kan ook bijna niet anders want de cijfers spreken boekdelen. Van alle aangiftes bij de afdeling jeugdzaken van de Surinaamse politie heeft negentig procent te maken met seksueel misbruik van kinderen tussen de 0 en 17 jaar. Iedere maand komen er gemiddeld 25 aanmeldingen binnen. Volgens de politie spelen de meeste gevallen zich binnen de armere Hindoestaanse gezinnen af, maar hulpverleners signaleren de problematiek in alle lagen van de bevolking, ook bij de elite, en binnen de verschillende etnische groepen.

Inspecteur Humprey Naarden van de Surinaamse politie is blij dat het onderwerp meer aandacht krijgt, want zo zien daders dat je er niet ongestraft vanaf komt en dat straffen voor seksueel misbruik kunnen oplopen tot wel zes jaar. Op zijn overvolle bureau vol paperassen, zoekt hij naar de informatie van een van de meest schokkende incestzaken in Suriname van de afgelopen drie jaar waarbij een acht maanden oude baby werd verkracht en aan haar verwondingen overleed. Het was niet de biologische vader van het kind, maar de ‘buitenman’ ofwel de minnaar van de moeder van de baby die het vergrijp pleegde. „En die moeder wilde zelfs haar aangifte naderhand nog intrekken omdat ze geld kreeg van die man. Ja, vrolijk word je er niet van”, zegt hij hoofdschuddend. Uit het politierapport blijkt dat de vagina van de baby zodanig was uitgescheurd dat ze uiteindelijk doodgebloed is.

Het recentste schandaal in Suriname is seksueel misbruik door chauffeurs op schoolbussen waar voornamelijk kleuters mee vervoerd worden. In Suriname is het gebruikelijk dat kinderen van jongs af aan ’s ochtends worden opgehaald door schoolbusjes voor vijftien tot twintig personen. Veelal zijn het particulieren die de bus inzetten om iets bij te verdienen. Twee chauffeurs zijn inmiddels opgepakt op verdenking van het jarenlang misbruik van kleuters. De schrik zit er bij de ouders goed in.

Naarden: „Wat we nu al binnen hebben in 2008 qua meldingen is meer dan vorig jaar rond deze tijd. Het is overigens niet per se zo dat er een stijgende lijn zit in het aantal gevallen, er zijn alleen steeds meer slachtoffers die zich melden.”

Zou het taboe dat er in Suriname op incest ligt dan echt aan het afbrokkelen zijn, en wordt het onderwerp langzaam meer bespreekbaar? Het boek Tapu sjen (bedek je schande) van de Hindoestaans-Surinaamse schrijfster Usha Marhe dat in 1996 uitkwam en waarin ze onder meer haar eigen incestervaringen beschreef, zorgde er al voor dat het onderwerp op de kaart gezet werd. Gesterkt door tv-persoonlijkheid Ophra Winfrey die in haar eigen talkshows regelmatig haar incestverhaal aan miljoenen kijkers toevertrouwt, vond Marhe dat ook zij iets moest doen om incest in Suriname uit de taboesfeer te halen.

Theater Thalia, het oudste theater van Suriname in hartje Paramaribo. De avond is gevallen en bij de ingang van het enorme ijzeren hek verkopen vrouwen hun lekkernijen. Zakjes bananenchips, kokoskoekjes en flesjes Fernandes. Voor de deur staat een lange rij. Vanavond wordt er een bijzonder theaterstuk opgevoerd: Push, een voorstelling over seksueel misbruik, gespeeld door het multiculturele theatergezelschap MC (Made in da Shade/Cosmic) uit Amsterdam. Om het stuk dichter bij het publiek te brengen zijn de stoelen op het podium, rondom het speelgedeelte geplaatst en worden de bezoekers als het ware onderdeel van de voorstelling. Ellen Abendanon probeert zich een weg te banen tussen de overwegend jonge bezoekers en een plekje in de rij te bemachtigen. Veertien jaar lang werkte ze met misbruikte kinderen. Jarenlang als hulpverlener, de laatste jaren als directeur van de Stichting voor het Kind, een organisatie die opvang biedt aan incestslachtoffers. Ze is sceptisch over het doorbreken van het incesttaboe. Zo’n vaart loopt het allemaal niet denkt ze. Aan de cijfers van de politie hecht ze bovendien weinig waarde. „Ik weet zeker dat het grootste deel van de kinderen nog thuis in de problemen zit en geen aangifte durft te doen. De gevallen die daadwerkelijk aangifte doen vormen maar een topje van de ijsberg. Suriname is een dorp, iedereen kent elkaar. Om echt naar de politie te stappen moet je een enorme drempel over. Vooral voor kinderen van vooraanstaande families, waar ook incest voorkomt, is het moeilijk. Het wantrouwen naar de politie toe is enorm. De gedachte is: denk maar niet dat de politie ingrijpt als een minister of vooraanstaand figuur zijn kinderen misbruikt.”

Na veertien jaar heeft ze er een punt achter gezet omdat werken met incestslachtoffers in Suriname water naar zee dragen is „Kinderen zijn hier in Suriname in kindertehuizen en opvangcentra totaal niet beschermd. Er is geen enkele wet die ervoor zorgt dat als een kind uit huis wordt geplaatst en naar een internaat of tehuis gaat, het daar wel beschermd is. Er zijn talloze voorbeelden van kinderen die vervolgens opnieuw worden misbruikt door de zoon van de directeur of door de directeur zelf, maar er zijn geen wettelijke mogelijkheden om die kinderen te beschermen. Er bestaat al wel een wetsontwerp, maar dat moet nog door het parlement goedgekeurd worden. Iedereen mag trouwens in Suriname ook een tehuis en zelfs een crèche beginnen. Aan screening wordt er niet gedaan.” Een paar maanden geleden nog kwamen er alarmerende berichten uit het Westelijke stadje Nickerie. In de weekenden werden de kinderen in een kindertehuis door de directrice ‘meegegeven’ aan de begeleiders. Sommige kinderen moesten dan schoonmaakwerk doen bij de begeleiders thuis, maar er werden ook kinderen misbruikt door begeleiders of hun familieleden.

In zulke gevallen kan Ellen Abendanon niet veel doen. „Als ik die tips krijg en ze doorspeel aan de politie vragen ze me of ik wil dat het tehuis wordt gesloten. Maar dan staan de kinderen op straat, en wie vangt ze dan op?” Daarom is ze gestopt, want alleen kan ze de vicieuze cirkel niet doorbreken. Abendanon benadrukt dat Suriname wel tal van internationale overeenkomsten heeft getekend over de rechten van het kind. En daardoor ook verplichtingen heeft. „Ze zullen die wet (ter bescherming van kinderen in internaten en tehuizen, red.) uiteindelijk moeten implementeren. En zolang we onze kop in het zand steken en niets doen, blijft het probleem zich herhalen want slachtoffers worden later plegers en maken zelf weer slachtoffers.”

De deuren van de theaterzaal gaan open en het publiek zoekt druk naar een plekje. De bezoekers van Thalia behoren dit keer niet tot de gebruikelijke culturele elite van Paramaribo die in de weekenden de theater of dansvoorstellingen bezoekt, nu zit de zaal vol met jonge tienermoeders en drop-outs. De doelgroep die zich zeker zal herkennen in het stuk Push, want naast incest komen ook thema’s als tienerzwangerschap, mishandeling en analfabetisme aan bod. Het stuk, een theaterbewerking van de Surinaams-Nederlandse scenarioschrijfster Marielle van Sauers naar het boek Push van de Amerikaanse schrijfster Sapphire, draait om de zestienjarige Precious Jones (gespeeld door Jennifer st. Jago). Precious is een zwart Amerikaans meisje, analfabeet en van jongs af aan misbruikt door haar vader. Als ze voor de tweede keer zwanger is van haar eigen vader wordt ze van school gestuurd maar kan ze wel terecht op een alternatieve school. Daar leert ze lezen en schrijven en door het gebruik van taal en dichten lukt het haar uiteindelijk vat op haar eigen leven en toekomst te krijgen. Regisseur en actrice Marjorie Boston, zelf geboren en getogen in Suriname maar al jaren woonachtig in Nederland is een van de oprichters van Made in de Shade. Ze vindt het behoorlijk spannend om Push in Suriname te spelen. „We horen van alle kanten hoe belangrijk het is dat dit stuk over incest hier wordt gespeeld, ook om het taboe verder te helpen doorbreken. Ik hoop dat we onze bijdrage kunnen leveren, het onderwerp bespreekbaar maken, en kracht kunnen geven. Theater is een uitstekende manier om maatschappelijke issues aan te kaarten. We gebruiken bovendien een hele directe speelstijl. Kijken ons publiek aan, communiceren met ze, en geven ze opdrachten. Voor Suriname is dat best nieuw.”

Zelf is Boston nog een oud-leerling van de legendarische zwarte Amerikaanse theatermaker Rufus Collins die in Amsterdam in de jaren tachtig het theatergezelschap De Nieuw Amsterdam (DNA) oprichtte en zijn stempel drukte op de vorming van een hele generatie zwarte acteurs en theatermakers in Nederland. Push is wat ze noemt een theaterstuk met een ‘au en een wauw’. „Dus niet alleen maar de heavy stuff, verkrachtingen, slaan, schoppen, en ineengekrompen magen, maar af en toe ook weer even ademhalen, leuke muziek, en hard kunnen lachen. Zo is het toch ook in het echte leven?” Ze was zelf ook een incestslachtoffer. Het gebeurde tijdens haar jeugd in Suriname vlak voor het gezin naar Nederland emigreerde. „We werden tijdelijk ondergebracht bij kennissen van mijn ouders, en daar ging het mis. Mijn ouders waren toen al in Nederland en hadden geen idee wat zich in dat huis afspeelde. ” Toch wil ze het theaterstuk zoveel mogelijk los zien van haar eigen ervaring, het naast zich neer kunnen leggen en niet als eigen therapie gebruiken. Ze is wel benieuwd naar de hulpverlening in Suriname voor slachtoffers van seksueel misbruik. „Zelf ben ik er pas over gaan praten toen ik 27 was, en dat is veel te laat. En stel dat ik in Suriname was gebleven, zou ik dan ergens terecht hebben gekund met mijn probleem?”

De voorstelling begint en Precious wordt achterna gezeten door haar moeder (gespeeld door Marjorie Boston) die haar schopt, slaat en uitscheld. Ze gooit haar dochter op de grond en staat boven haar, wijdbeens, te schreeuwen. „Koe, varken, you big, lazy, fat motherfucker”. Dan graait haar moeder van achteren in haar broek en verdwijnt haar hand dieper en dieper. Precious gilt het uit „Ma neee!” Ondanks het zwakke licht op het podium staren tientallen ogen geschokt naar wat er zich voor hun afspeelt. Een Javaans meisje houdt beide handen voor haar mond, ze wendt haar ogen af en kijkt voor zich uit naar de grond.

Saida zit ook in de zaal. Het gaat beter met haar. Ze is opgevangen door het afkickcentrum van de charismatische Victory Outreach kerk. Omdat er in Suriname geen reguliere afkickcentra zijn, behalve kerken, kom je als drugsverslaafde al snel in de kerk terecht. Negen maanden geleden stapte ze er sterk vermagerd binnen, maar ze nu is ze drugsvrij, tien kilo aangekomen en bekeerd tot het christendom. Voor die tijd had ze al aangeklopt bij de stichting stop geweld tegen vrouwen waar ze samen met de hulpverleners door middel van de past life therapie haar incestverleden probeerde een plek te geven. Maar om daar echt geholpen te worden moest ze eerst afkicken. Geïnteresseerd volgt ze het theaterstuk, haar ogen strak gericht op Precious’ moeder. IJzig stil wordt het in de zaal bij de scène waar het misbruik van Precious ter sprake komt en haar moeder vertelt wat er precies gebeurde. „Ze was nog klein, een baby. We liggen op bed, mijn man Carl, Precious en ik. Dan strekt hij zijn hand uit naar Precious en doet haar luier uit. Ik zeg: ‘Nee Carl, je moet met mij, ik ben je vrouw.’ Maar hij duwt me weg. Hij doet z’n broek uit en gaat op Precious liggen. Z’n ding gaat er bijna helemaal in.” Grote verontwaardiging klinkt er in de zaal. Weg is de stilte. Saida schuift onrustig met haar stoel. Na de voorstelling praat ze na met de actrices. Het stuk houdt haar bezig. „Mijn moeder moet meer geweten hebben. Als ik deze moeder in het stuk zo zie, precies zo deed mijn moeder ook met mij”, vertelt ze aan Marjorie. Die luistert en vraagt door. „Maar was je moeder er dan soms bij als het gebeurde?” Saida denkt na en knikt. „Ze was erbij, ja, soms lag ze op de grond en ik op bed met mijn vader. Ze heeft er van geweten ook al ontkent ze het nu.”

Ze wil met haar moeder praten, zegt ze. Waarom heeft ze niet ingegrepen? Maar van een gesprek is het nog niet gekomen. Saida zwerft weer rond op straat, prostitueert zichzelf weer, en is terug gevallen in haar drugsverslaving. De hulpverleners en ook de kerk zoeken contact met haar

Nina Jurna werkt sinds 2000 in Suriname als journaliste en programmamaker. Over het theaterstuk Push en de Surinaamse incestproblematiek maakte ze de documentaire ‘Push, no tan tiri (zwijg niet langer)’ die onlangs in première ging op het Internationaal filmfestival in Paramaribo.