Rondje Scherpenzeel

Er klinkt imposant spechtgehamer. Waar zít die vogel? Met steeds stijvere nek staar ik langs de stammen van de bomen omhoog. Ik zie van alles, maar niet de specht die de ene drumsolo na de andere geeft.

„Daar is-ie, recht boven uw hoofd”, wijst een mevrouw. Ze gooit een tennisbal weg voor haar jonge herdershond (herders in de kleuterleeftijd zijn behept met grote schattigheid, maar dat terzijde). Ik kijk waar ze wijst en zie een bont spechtje ter grootte van een mus. Hij bliksemt over de takken, verdwijnt tussen het blad. Het is de kleine variant, weet de mevrouw. Ze kreeg er, vreemd en toch waar, regelmatig een op bezoek in Scherpenzeel, in het vogelhuisje in haar tuin.

Asfaltpaden met dikke littekens op de plekken waar de wortels van de bomen erlangs zich een weg banen, voeren ons langs fiere percelen grasland. Bultig zijn ze, met meestal één eik of wilg net naast het midden en besproeid met paardenbloemen.

In de bocht van een beek beoefenen cohorten mugjes het trampoline-springen, ze zwieren omlaag tot op het water, zetten af, stijgen weer op en bespikkelen het licht. „Frühlings-mugjes” doet man internationaal. Vervolgens bukt hij zich en checkt met een brul de identiteit van een dovenetel.

Er zijn hier veel hoeves met lange bakstenen schuren ernaast. Meestal hoor je niks, maar nu klinkt er gekerm. Ik kijk door een bovenlicht naar binnen, en zie een golf tanige beesten met kale nekken. Wat een treurnis voor een doos eieren. Moet dat nou? Nee, dat hoeft niet. Verderop krabben de kippen in een stuk grond voor een kippenboerderij. ‘Vrije uitloop’ heet dat en het is een stuk beter dan detentie in een kipbarak.

De bloesem van het hoge fluitekruid stroomt als overkokende melk over de bermen. Langs het grasland en de slootoevers ziet het bleekst-rose van de pinksterbloemen. Vogelkersstruiken steken hun bloemtrossen als toortsen in de richting van de zachte zon. En de eiken ontvouwen minuscule blaadjes, de kreuk zit er nog in. Ze glimmen want ze zijn nieuw.

Ik bevries mijn stap. Een meter of tien voor me uit hupt een haas. Groot beest. Een haas kan twee kanten tegelijk uitkijken, maar deze ziet mij niet, ook niet met zijn ene bolle oog in mijn richting. Kalm vervolgt hij zijn persoonlijke wandelroute, en verdwijnt om een bocht. Wij hebben zijn hazenpad gekozen. Dat moeten we zelf weten. Hij is niet van zins zich daar iets van aan te trekken.

Joyce Roodnat

14 km uit ‘Wandelgids voor de Gelderse Vallei’. Uitg. Stap voor stap/Eoscentra, 2005, Nijmegen.