Ridders in harnas en krijtstreepkostuum

De koninklijke onderscheidingen die dit jaar zijn verleend op het werkterrein van het ministerie van Economische Zaken zitten allemaal op het niveau van de Orde van Oranje-Nassau. Volgens de toekenningscriteria is die voor mensen die opvallende prestaties hebben geleverd of zich bijzonder verdienstelijk hebben gemaakt. Wanneer iemand meer heeft gedaan, met inspanningen van zeer uitzonderlijke aard of prestaties op basis van bijzondere talenten, kan hij of zij in aanmerking komen voor een onderscheiding in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Dat is dus een stapje voornamer. Als specifieke voorbeelden daarvan noemt het Kapittel voor de Civiele Orden, dat over de toekenningen adviseert, onder anderen „personen die […] zich door hun managementtalenten exceptioneel verdienstelijk hebben gemaakt in het kader van de werkgelegenheid, of die ondernemingen van de ondergang hebben gered.” Typisch iets in de sfeer van Economische Zaken, zou je zeggen. Maar dat heeft zich kennelijk niet voorgedaan, niet in 2008 en niet in de vier jaren ervoor als je afgaat op het overzicht dat op de site van deze krant staat. Voor de Nederlandse Leeuw moest je dit jaar professor zijn (veertien keer), schrijver (Maarten Biesheuvel) of actrice (Josée Ruiter). Voor de gewone opvallende prestaties, op het niveau van Oranje-Nassau dus, werd bij Economische Zaken één keer de onderscheiding ‘officier’ toegekend; voor de rest was iedereen er ‘ridder’ of ‘lid’.

Het is nog wel passend ook. De Nederlandse historicus Huizinga schrijft in zijn Herfsttij der Middeleeuwen treffende dingen over ridders en het ridderideaal. Hij heeft het over strijdvaardige mannen die met zwaard, strijdros en harnas de wereld in trokken, door geloften van hoofse liefde gebonden aan een hoogstaande, aanbeden vrouwe, om het kwaad te bevechten en misstanden te bestrijden. De afschaffing van het middeleeuwse wapentuig was volgens Huizinga niet het einde van de ridderlijke levenshouding; integendeel, hij zag in de Engelse gentleman een rechtstreekse voortzetting. Het is 1919 wanneer Huizinga dit schrijft. De gentleman was in die tijd – even onafscheidelijk van zijn paraplu en bolhoed als voorheen de ridder van zijn harnas en helm – de onkreukbare steunpilaar van de Londense City en de regeringsburelen in Whitehall. Wie vorig jaar in de City rondliep – nu ligt dat door de malaise in de financiële sector even anders – zag geen ingetogen bowler hats meer, maar snelle types in flitsende pakken die in champagnebars hun financiële bonussen zaten te vieren. Ook daar zegt Huizinga iets over, hoe het ridderideaal van meet af aan het risico van ontsporing in zich had. Namelijk in de aanmatiging van de ridder, die immers op zich neemt het recht te bevorderen en het kwaad te bestrijden, en daarmee pretendeert dat hij degene is die het verschil kent.

Het heet dat in Japan de leiders van de hedendaagse grote financiële en industriële ondernemingen rechtstreeks afstammen van de ridders van ooit, de samoerais. Maar ook bij ons is het ondernemerschap doortrokken van een sfeer van avonturen beleven en heldendaden verrichten. Markten moeten worden veroverd en concurrenten verslagen, het klinkt als een toernooi.

Daarom is, om weer even terug te komen op die koninklijke onderscheidingen, in de sfeer van Economische Zaken het predicaat ‘ridder’ op zijn plaats. In Engeland verlenen ze ook het ridderschap, knighthoods, aan uitzonderlijke ondernemers. Zo ontving budgetluchtvaart-pionier Freddy Laker een knighthood en werd hij Sir Freddy. Uitvinder Sinclair werd Sir Clive, en Virgin-tycoon Branson is nu Sir Richard, om maar een paar voorbeelden te noemen die ook bij ons bekend zijn. Laker is nu dood, maar Sinclair en Branson worden in het dagelijks leven ook echt aangeduid als Sir Clive en Sir Richard. Een knighthood is een veel nadrukkelijker erkenning van verdienste dan bij ons een bescheiden draaginsigne op een grijs kostuum. En dat wij een geridderde anders zouden moeten aanspreken, komt al helemaal niet bij ons op. Maarten Biesheuvel kan gerust zijn, voorlopig staat hij niet in de krant als Heer Maarten.

Intussen blijft er het probleem van de arrogantie van de ridder, of hij nu een harnas draagt of een krijtstreepkostuum. Een ridder die zijn hoge doel vergeet, gaat vanzelf graaien voor eigen gewin. Voor zo iemand is er niets anders. Zo wordt hij een roofridder of een plunderende kruisvaarder die, soms onder de dekmantel van een hoog principe, een plaag wordt voor zijn omgeving. We kennen het van de economiepagina’s, met de beloningspakketten en de bonusregelingen die altijd maar één kant uit gaan, en die verontwaardiging en cynisme oproepen binnen bedrijven en erbuiten. De legendarische koning Arthur proberde het op te lossen door zijn vervaarlijkste vechtersbazen uit te nodigen aan zijn Ronde Tafel. Dat was niet een lintje of lauwerkrans als bekroning van een nette carrière, maar een verplichting, een aansporing om zich in te spannen in dienst van een hoog doel.

De Tafelridders waren ruw volk met veel energie – energie die nuttig kon zijn als zij in goede banen geleid werd. De koning liet ze trouw beloven aan een gedragscode en een gezamenlijk doel, de zoektocht naar de Heilige Graal. Niemand wist de weg ernaartoe, alleen dat hij zich slechts zou openbaren aan iemand die zuiver van geest en handelen was. Zo gingen de ridders erop uit, en kwamen om de zoveel tijd terug om te vertellen welke daden zij hadden verricht in hun streven naar het hoge ideaal.

We hebben er bij Economische Zaken weer één officier, zestien ridders en achttien leden in de Orde van Oranje-Nassau bij. Ridders functioneren alleen goed als er een koning is, of iemand anders die het hoge doel bewaakt en hen erbij betrokken houdt. Dus wanneer haalt de minister zijn officier, ridders en schildknapen eens bij elkaar, aan een ronde tafel bijvoor-beeld? Natuurlijk om ze geluk te wensen met hun onderscheiding. Maar vooral om ze uit te dagen en te bevragen, niet op hun verleden maar op hun toekomstige bijdrage aan een hedendaagse Graal of aan het land. Dan wordt ook hier ridderschap niet een genoegzame bekroning, maar een aansporing en een dure plicht.