Professionals?

Zowel in het rapport van de commissie-Dijsselbloem als in dat van Rinnooy Kan wordt doorlopend gesproken over leraren in termen van ‘de professionals in het onderwijs’. Grasduinend in teksten over de kenmerken van een professioneel beroep kom ik karakteriseringen tegen zoals: hoog opgeleid, geschreven en ongeschreven gedragsregels, van vitaal maatschappelijk belang en oriëntatie op de eigen beroepskring.

Dat er de laatste tijd zo de nadruk op wordt gelegd dat het leraarschap een professioneel beroep zou zijn, is paradoxaal genoeg een gevolg van het gegeven dat het dat steeds minder is geworden. Het zijn de stuiptrekkingen van een zieltogende professie. Voor dat zieltogen zijn verschillende oorzaken aan te wijzen.

In de eerste plaats de wijze waarop de beroepsgroep de afgelopen jaren is behandeld. Onderwijs werd uitsluitend gezien als een kostenpost waarop zo veel mogelijk moest worden bezuinigd en omdat de kosten in die sector voornamelijk personeelskosten zijn, heeft de beroepsgroep leraren als geen andere bijgedragen aan de bezuinigingen in de jaren tachtig en negentig. Omdat daarbij bestaande rechten zoveel mogelijk intact werden gelaten, waren het vooral de jongeren die de rekening betaalden. De ‘oriëntatie op de eigen beroepskring’ maakte plaats voor het individuele streven het eigen vege lijf te redden.

In dit toch al gure arbeidsklimaat werd het onderwijs ook nog eens ingrijpend gereorganiseerd. Scholen werden samengevoegd tot grote organisatorische eenheden, schoolleiders werden managers die, gedragen door de tijdgeest, hun organisaties meenden te moeten leiden als een bedrijf. Daar bepaalt het management het beleid, selecteert de poppetjes, zet die op de juiste plek, en probeert de kosten zo veel mogelijk terug te dringen. Met de scholen als bedrijf gaat het inmiddels prima, hun reserves rijzen de pan uit, maar met de school als onderwijsinstelling gaat het steeds minder. En dat kan ook niet anders, gezien het opleidingsniveau van de nieuwe leraren.

Deze ontwikkeling staat haaks op een ander kenmerk van professionals: het hoge niveau van hun opleiding. Het gros van de leraren die een lerarenopleiding hebben gevolgd, heeft dat inmiddels gedaan aan een hogeschool. De belangstelling voor die opleidingen is al meer dan twintig jaar lang buitengewoon gering. Zo melden zich in een bepaald jaar bij een hogeschool bijvoorbeeld: drie studenten wiskunde, één natuurkunde, vier Frans, twee Duits, zeven Nederlands, vier geschiedenis. De vooropleiding van deze studenten is in de regel havo, maar vaak ook mbo, en vooral op theoretisch gebied ligt het niveau van die mbo’ers beduidend lager dan dat van de havisten. Die studenten nu moet de hogeschool in vier jaar tijd opleiden tot leraar. De hogeschool krijgt voor hen net zo veel betaald als voor studenten in andere studierichtingen. Dus krijgen de aankomende leraren vooral samen les in zaken die voor iedereen gelden: over werkvormen, pedagogie, schoolorganisatie, omgang met allochtonen, etcetera. Maar nauwelijks in het vak waarin ze straks moeten lesgeven. De leraar in Nederland is dus steeds vaker iemand met een gebrekkige kennis van het vak dat hij doceert.

Toen duidelijk werd dat deze ontwikkelingen ten koste waren gegaan van de kwaliteit van het onderwijs, moest de politiek een list verzinnen. De leraar diende weer te worden teruggeplaatst op het voetstuk waar hij door Deetman en consorten hardhandig van was verwijderd. Dat is inmiddels gebeurd met twee rapporten waarin de leraren worden aangesproken op iets wat ze misschien ooit waren, maar beslist al lang niet meer zijn: professional.

Leo Prick

lgm.prick@worldonline.nl