Of pillen helpen

Rudolf Magnus, de eerste Nederlandse hoogleraar in de geneesmiddelenleer, werd honderd jaar geleden benoemd. Hij werd wereldberoemd door zijn onderzoek naar de beweegreflexen en de houding van dieren. In 1927 was hij een serieuze kandidaat voor de Nobelprijs, maar hij overleed in de zomer van dat jaar, op vakantie in Zwitserland.

Magnus heeft Nederland geen geneesmiddelen nagelaten, wat veel van zijn opvolgers wel deden, maar een eeuw na Magnus mag wel de vraag gesteld: wat heeft een eeuw geneesmiddelenontwikkeling opgeleverd?

Vrij weinig, was het antwoord van de gezaghebbende Britse hoogleraar sociale geneeskunde Thomas McKeown, als je het afzet tegen andere verbeteringen waar de Westerse mens de laatste honderd jaar van profiteerde. In zijn boek The Role of Medicine uit 1976 boorde hij de gedachte de grond in dat medicijnen grote levensredders zijn.

sterftedaling

McKeown liet zonneklaar zien dat de sterfte aan vrijwel alle infectieziekten vanaf het eind van de 19de eeuw gestaag daalde. En het staat ook vast dat die sterftedaling veruit de belangrijkste reden was van de stormachtige toename van de levensverwachting in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Toen kort na de Tweede Wereldoorlog de penicilline op grote schaal zijn intrede deed, was er voor dat wondermiddel al weinig eer meer te behalen. Voor streptomycine, dat in 1948 beschikbaar kwam als medicijn tegen tuberculose, geldt hetzelfde. De ziekte was toen al vrijwel verdwenen, als je de sterfte over een eeuw bekijkt. Aan de totale reductie van de sterfte aan tuberculose droeg streptomycine hooguit 3 procent bij.

In de jaren na het verschijnen van het boek van McKeown nuanceerde Johan Mackenbach, hoogleraar maatschappelijke gezondheidszorg aan het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam, het beeld. “Als je kijkt naar wat er rond 1950 met de tuberculosesterfte gebeurde, dan zie je binnen een paar jaar een sterfte-afname van 50 procent. Op dat moment was dat een spectaculaire verbetering. Voor veel andere infectieziekten geldt hetzelfde.”

Mackenbach heeft nog meer Nederlandse cijfers. De laatste honderd jaar is de toename van de levensverwachting in Nederland ongeveer dertig jaar geweest. In 1900 werden de mensen gemiddeld vijftig, nu bijna tachtig. De vraag is hoeveel jaren daarvan op het conto van de geneesmiddelen kunnen worden bijgeschreven.

“Ik geef twee antwoorden, voor twee tijdvakken, gebaseerd op twee onderzoeken die wij hier deden”, zegt Mackenbach.

“Vanaf het begin van de twintigste eeuw tot aan de jaren tachtig was de toename van de levensverwachting zo’n vijfentwintig jaar. Daarvan komt vijf jaar op rekening van de verbeterde medische zorg. Ik schat dat de helft van die vijf jaar aan geneesmiddelen kan worden toegeschreven. Zeker als je vaccinaties meetelt en ook de verruimde mogelijkheden in de chirurgie voor een deel aan de betere narcosemiddelen toerekent. Eigenlijk vind ik dat een geweldig succesverhaal voor medicijnen, zij het dat andere factoren in het begin van de vorige eeuw grotere invloed hebben gehad: verbeterde hygiëne, betere voeding en verbeterde arbeidsomstandigheden.”

Het tweede antwoord van Mackenbach geeft de medicijnen nog meer eer. Het heeft betrekking op de veranderingen in de laatste halve eeuw.

“Tussen 1950 en 2000 is de levensverwachting nog met zeven jaar toegenomen. En daarvan komt de helft op rekening van verbeteringen in de gezondheidszorg. Dat is relatief veel meer dan de twintig procent bijdrage in de periode van 1900 tot 1980. En ook hier is een groot deel, misschien wel de helft, aan geneesmiddelen toe te schrijven.”

De cijfers over de laatste halve eeuw komen uit een rapport over de kosten en opbrengsten van de zorg bij infectieziekten, kanker en hart- en vaatziekten. Onderzoekers van Mackenbachs groep en van het RIVM publiceerden dat vorig jaar in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid.

Mackenbach: “Van infectieziekten en hart- en vaatziekten weet je dat het succesverhalen zijn. Kanker hadden we genomen, omdat daarover de mening bestaat dat het geen succesverhaal is. Maar we vonden dat het uitgedrukt in de kosten per levensjaar nog best meevalt.”

hypertensie

Betere behandeling en vroege opsporing van kanker hebben de levensverwachting in Nederland met 0,6 jaar vooruit geholpen. Maar betere opsporing en behandeling van alleen hoge bloeddruk hebben 0,8 jaar toegevoegd.

Mackenbach: “Dat mag weinig lijken, maar hier speelt de omgekeerde wet van de grote getallen. Het is winst op bevolkingsniveau. Niet iedereen heeft hypertensie, niet iedereen die het heeft wordt opgespoord en behandeld, en niet iedereen heeft er baat bij. Nee, wat het voor iemand met hoge bloeddruk betekent dat hij die pillen heeft, weet ik niet. Dat is wel berekend in klinisch onderzoek, maar die zeggen weinig over hoe een medicijn het later in de gewone, niet speciaal voor een trial geselecteerde bevolking doet.”