Meneer Xu was overal

Als meneer Xu even een luchtje ging scheppen, fotografeerde hij alles wat hij zag. Voor ‘details’ als belichting had hij geen tijd. „Ik moest mijn foto’s snel maken.”

Voor het raam flitst verkeer over een verhoogde snelweg. De tolk en ik nemen plaats op het bed, meneer en mevrouw Xu schuiven krukjes bij. Tussen ons in hangt de vergroter, waarmee meneer Xu zijn foto’s afdrukt. Op een tafel onder het raam liggen stapels foto’s opgetast, dozen met fotopapier steken onder het bed uit. Zonder op te hoeven staan, opent meneer Xu een oude ijskast die krap in een nis achter hem past. Daarin bewaart hij zijn negatieven. „Ooit hoop ik genoeg tijd en geld te hebben om ze allemaal af te drukken”, zegt hij, ernstig door zijn dikke brillenglazen kijkend.

Hij en zijn vrouw wonen al meer dan dertig jaar in deze ene kamer in het centrum van Shanghai. Ze hebben er zelfs twee kinderen grootgebracht, maar die zijn nu het huis uit. De oudste zoon zal het gesprek ook bijwonen. Als hij zich bij ons voegt, kunnen we ons helemaal niet meer verroeren.

Meneer Xu en zijn zoon hebben samen een boek gemaakt. De oude meneer Xu selecteerde een aantal zwart-wit foto’s die hij in de jaren tachtig en negentig op bekende plekken in Shanghai nam. Op precies dezelfde locaties legde zijn zoon, in kleur, de bijna niet te bevatten veranderingen vast. Straten vol fietsers werden doorgangswegen voor autoverkeer, terwijl daarboven, over een viaduct, de metro snelt. Groentetuinen maakten plaats voor wolkenkrabbers. Waar ooit een veerpont heen en weer voer, wordt de rivier nu overspannen door een futuristische brug. „Veranderend Shanghai was een idee van de uitgever”, zet meneer Xu meteen recht. Hij fotografeert eigenlijk het liefst buiten de stad. Al sinds zijn jeugd koestert hij een grote liefde voor het platteland.

„Mijn vader was een eenvoudige kleermaker, ik had vijf broers en zussen, wij hadden bijna geen geld. Ik trok erop uit om langs riviertjes en kanalen paddestoelen te zoeken zodat we wat te eten hadden. Met een stok, waaraan ik een scherpe punt had geslepen stak ik ze van boomstammen af. Dat deed ik graag, ik genoot van wat ik onderweg zag.” De zoon, veel forser dan zijn vader, vult aan: „Eerst probeerde hij het landschap te schetsen.” „Maar dat kon ik helemaal niet”, valt meneer Xu hem in de reden. In 1965 kocht hij zijn eerste camera, een Duitse Walter, tweedehands, voor 120 yuan. „Drie maanden salaris voor mij in die tijd.”

Veertig jaar lang werkte meneer Xu in een rijstwinkel van de staat, waar aanvankelijk alleen met distributiebonnen kon worden gekocht. Alleen ’s zondags had hij vrij. Dan trok hij er vroeg op uit met zijn camera om voor het eten weer terug te kunnen zijn. „Dertigduizend kilometer heb ik gelopen in al die jaren.” Meneer Xu houdt alle gegevens van zijn tochten precies bij. Op kaarten tekent hij de routes die hij heeft afgelegd. Elke foto die hij neemt, heeft een datum en een nummer die terugkeren in zijn dagboek waarin hij exact een een aantal details noteert.

„3 july,1988”, leest meneer Xu een notitie voor. „Vertrokken om 9.00 uur. Ik nam niet trolleybus 19 omdat die onregelmatig rijdt, soms haltes overslaat of zonder waarschuwing andere routes volgt. Ik nam trolleybus 14, daarna bus 66.” Na nog drie keer overstappen is meneer Xu om 12.30 eindelijk aangekomen in het dorp waar hij een oude boom wil fotograferen. Liefde voor cijfers, en talent voor ordenen zit de familie blijkbaar in het bloed, de zoon is archivaris van beroep.

Was meneer Xu van begin af aan ook gefascineerd door veranderingen? „Nee”, antwoordt de zoon voor zijn vader. „Dat kwam later pas. Zoals je ziet is het hier niet groot, toen mijn zus en ik klein waren, was hier helemaal geen plaats. Mijn vader ging zondags op stap om een luchtje te scheppen.” „Onderweg fotografeerde ik wat me trof”, vult meneer Xu aan, „zodat ik er thuis nog eens naar kon kijken.”

Boven het bed hangen zijn favoriete foto’s van een theehuis, een pagode, een sampan op een rivier. Het zijn net vensters die uitzicht bieden op een andere wereld dan die door het echte raam te zien zijn. Daar zien we het verkeer over een oprit naar de nieuwe brug over de Suzhou-rivier denderen. Mevrouw Xu heeft me heerlijke groene thee aangereikt en me een paar keer vriendelijk toegeknikt, maar nog niets gezegd. Wat vindt zij van de hobby van haar man? „Hij moet doen wat hem gelukkig maakt”, zegt ze zacht. De zoon voegt toe: „Mijn zus en ik begrepen eerst niet waar onze vader mee bezig was. De camera’s en het papier kostte veel geld, wij hebben nooit ergens voor kunnen sparen.” Mevrouw Xu plukt een pluisje van haar oude broek. „Maar dat was niet erg”, zegt ze goedmoedig.

Haar man lijkt even afgedwaald, dan gaat hij verder waar hij gebleven was. „In de jaren tachtig werd er begonnen met grote bouwprojecten, oude dingen werden afgebroken. Ik dacht: ik moet vastleggen hoe het nu is, straks is het weg.” Aan de hand van foto’s laat hij zien wat hij bedoelt. Over een dorpsstraat, geplaveid met kasseien, trekt een oud papieropkoper zijn kar voort. Aan weerszijden schaars verlichte winkeltjes met rijst, uien en touw. ’s Avonds zullen de open puien worden afgesloten met houten panelen, ze staan klaar tegen een muur. „Dat is allemaal weg, nu zijn daar flats”, zegt meneer Xu licht ontstemd.

Meneer Xu spreekt steeds over bruggen, huizen en torens, maar er zijn ook mensen op zijn foto’s te zien. Een hoofdrol spelen ze echter niet. Toevallig lopen ze daar, krijg je de indruk. Vanuit een ooghoek kijken ze vaak achterdochtig naar de lens, meneer Xu werd vast niet overal met open armen ontvangen. „Vaak begrijpen mensen niet wat ik doe”, geeft meneer Xu licht vermoeid toe. De tolk heeft bladerend in het dagboek een toepasselijke passage gevonden, meneer Xu leest voor: „13 mei 1989. Terwijl ik foto’s aan het nemen was in Heqin kwam een oude man voorbij met een kar vol steenkool. ‘He,’ riep hij. ‘Wat ben jij aan het doen?’ ‘Ik neem foto’s,’ zei ik. ‘Foto’s nemen? Dat mag niet!’ ‘Waarom niet? Ik doe niets verkeerd, ik fotografeer de bezienswaardigheden.’ ‘Voor wie werk je?’ riep de oude man. ‘Stop! Verklaar je nader!’ ‘Ik werk voor niemand, ik maak foto’s van deze straat, waar bemoei je je mee?’ De man kwam dreigend op me af en zei: ‘Foto’s maak je waar bergen zijn of rivieren. Wat valt hier te zien? Hoe durf je hier foto’s te nemen!” Uit de rest van het verhaal blijkt dat meneer Xu bedroefd was afgedropen. Het uitje, waar hij de komende week op moest teren, was bedorven. „Maar het komt ook voor dat ik een prettig praatje maak”, haast meneer Xu zich het verhaal een positieve draai te geven. Meestal met oude mannen over hoe het vroeger was.

‘Mijn vader is een zeer begaafd man”, zegt de zoon, als de oude meneer Xu even is weggedroomd. „Hij weet veel over de Chinese geschiedenis. Hij heeft erg veel poëzie gelezen.” Op latere leeftijd was meneer Xu zelf poëzie gaan schrijven, maar zijn gekalligrafeerde regels brachten de familie niets dan ongeluk. Tijdens de Culturele Revolutie werd hij een jaar naar het platteland verbannen om te zwoegen op het land. Dichten was verboden. Mevrouw Xu had er al die tijd alleen voorgestaan. Uit voorzorg had ze de foto’s die hij toen al genomen had verbrand. In die tijd kon alles tegen je worden gebruikt.

Van vermoeidheid tuimelde meneer Xu op een dag van de steile trap die naar hun kamer leidt. Aan de val hield hij een hersenbeschadiging over, sindsdien was zijn rechteroog vrijwel blind. „Dat moet een grote handicap zijn bij het fotograferen”, veronderstel ik. „In verband met belichting en dergelijke.” Dat laatste doet meneer Xu het voorhoofd ongeduldig fronsen. „Voor dat soort details heb ik nooit tijd gehad, ik had altijd maar een dag in de week. Meestal arriveerde ik tegen het middaguur, dan staat de zon hoog, daar is niets aan te doen. Ik had altijd haast, ik moest mijn foto’s snel maken.”

„U besteedde wel aandacht aan de compositie”, zeg ik. Op zijn foto’s buigt het spoor mooi af, er komt net een stoomtrein aan gepuft of er sjouwt juist iemand voorbij met een zware last in een kar. „Dat gaat vanzelf als je veel foto’s maakt”, wuift meneer Xu weg. „Bent u dan niet op zoek naar schoonheid?”, wil ik weten.

Meneer Xu kijkt alsof we nu gevaarlijk gebied betreden, zijn zoon zegt beslist: „Met kunst hebben deze foto’s niets te maken. Mijn vader streeft er niet naar emoties in zijn foto’s te leggen. Hij legt vast, meer niet.”

„Omdat het droevig is, dat alles wat oud is verdwijnt?”, vraag ik. Meneer Xu knikt instemmend. „Ik verlang terug naar de oude tijd”, zegt hij beslist. „Ik ben vaak vervuld van nostalgie.”

„Maar wij Chinezen willen ook een beter leven”, spreekt de zoon hem tegen. „Mijn ouders hopen dat dit huis spoedig wordt afgebroken zodat zij compensatie krijgen en een nieuwe flat kunnen kopen.” Meneer Xu knikt betrapt. „Maar er wordt teveel afgebroken, er is geen balans”, komt zijn zoon hem tegemoet.

Geen wonder dat de familie Xu dit huis graag wil verlaten. Bij binnenkomst moesten we zijdelings achter een vrouw langs schuiven die haar tanden poetste aan een gootsteen in de gang. In de deuropeningen van andere kamers hielden zich nieuwsgierige medebewoners op. Voortdurend klinkt er geschuifel en gehoest in het pand, daarnet brak er een enorme ruzie uit beneden waarvoor de Xu’s zich doof hielden. Eerder werd ik voorgesteld aan de negentigjarige moeder van meneer Xu, zij bivakkeert in een aangrenzend vertrek. Naast haar bed kan net een fornuis en een eettafel staan.

Als we ruim een uur met z’n vijven in het kamertje hebben gezeten, kondigt de zoon aan dat hij terug moet naar zijn werk. Ik zeg dat me dat spijt, maar eigenlijk ben ik opgelucht. Nu krijgen we tenminste iets meer ruimte, helemaal als mevrouw Xu gaat buurten bij haar schoonmoeder. Meneer Xu wil liever foto’s laten zien dan erover praten. Het bed raakt bezaaid, op de krukjes liggen nieuwe stapels klaar. De kleine cel lijkt haast over te lopen van beelden uit de metropool.

Eerst ga ik op zoek naar herinneringen aan mijn eerste bezoek aan Shanghai in het begin van de jaren tachtig. Toen voeren er nog schepen met honderd maal verstelde zeilen voor de Bund. In de mond van de Suzhou kreek lagen tientallen sampans afgemeerd waar families op woonden. Fietsriksja’s reden af en aan. Van die wereld is niets meer over, tegenwoordig is alles gemotoriseerd. Eertijds waren er meer mensen op straat, zo staat het me ook bij. Overal hingen jonge mannen rond, die zie je nu alleen maar aan het werk. In parkjes, langs de oevers, in hun blauw of groene kleding, schenen ze ergens op te wachten. Terugblikkend op deze beelden wordt duidelijk waarop: de Grote sprong Voorwaarts, die nog komen moest.

In de loop van de jaren tachtig krijgt het leven op het glanspapier plotseling vaart. Een fiets staat niet zomaar ergens op een standaard, daar komt al iemand aan met een doos die achterop moet. Wat is er gesleept, gesjouwd, gesjord in de jaren die volgden. En gebouwd! Honderden mannen die als mieren over de Yangpubrug in aanbouw kruipen. Meneer Xu was overal, ook op plaatsen waar een mens eigenlijk niets te zoeken heeft. Zoals bij een smerig kanaaltje waar werklieden bezig zijn een riool aan te sluiten, ze staan tot aan knieën in een gruwelijke brei.

Sommige inspanningen zijn haast niet om aan te zien. Zoals een oud echtpaar dat een kar met stalen buizen voorttrekt, ze lijken wel de gevangen van een wrede bezetter. Ook de ruines van geheel verwoeste buurten verwijzen naar oorlog en strijd. Wat hebben de Chinezen geleden de afgelopen decennia, om te zorgen dat er nu staat wat er staat. Nooit hebben mensen een stukje voor zichzelf op deze foto’s, altijd worden ze omringd door anderen. En toch is iedereen alleen. Elke blik is naar binnen gekeerd, elk mens lijkt in zijn eigen universum te vertoeven, elke man of vrouw gaat zijn eigen weg. Ook meneer Xu. Ik stel me hem voor in zijn onopvallende kledij, waarin hij met de anderen samenvalt. Hij richt een camera op wat er gebeurt. En wat zich voltrekt, in de honderden foto’s die door mijn handen glijden, heeft iets angstaanjagends. Elke Chinees is eenzaam verwikkeld in zijn strijd om het bestaan en toch haasten ze zich allemaal dezelfde kant uit. Als een school vissen. Vooruit, de toekomst tegemoet.

‘U houdt van spoorlijnen”, zeg ik. „Vroeger kon je daar lekker overheen wandelen”, mijmert meneer Xu. „Toen waren er nog niet zoveel treinen en ze gingen niet hard. Tegenwoordig is het spoor verboden terrein.” Bomen zijn ook een terugkerend thema, stel ik vast. „Die zijn soms ouder dan welk gebouw dan ook”, verklaart meneer Xu. En wat hem ook zeer bevalt: de oudste bomen zijn beschermd en hebben nummers, uitgedeeld door de staat.

„Ik heb al tot en met twintig, die zijn allemaal rond de duizend jaar oud, alleen nummer zestien is dood.” Dertienhonderd bomen in Shanghai zijn ouder dan honderd jaar, ooit zal meneer Xu ze allemaal hebben vastgelegd. Hij zucht; er is nog zoveel werk te doen. Sinds hij vijf jaar geleden met pensioen ging, heeft hij zijn handen vrij, maar nu is het geldgebrek dat zijn bewegingsruimte beperkt. Zijn pensioenbonus is al uitgegeven, tegenwoordig werkt meneer Xu met een zeer moderne Japanse camera. Hij gebruikt nog wel steeds film, uitsluitend zwart- wit, omdat hij dat zelf af kan drukken. Zeker een dag per week verduistert hij de kamer. Voor het ontwikkelen van de film heeft hij zelf een apparaat gebouwd dat precies op tijd een waarschuwende bel laat klinken.

Meneer Xu reikt steeds nieuwe series foto’s aan. De vasthoudendheid van de Chinezen staat erop vastgelegd, en de bezetenheid van meneer Xu zelf krijgt ook vorm, ook al is die niet te zien. Een onmetelijke hoeveelheid energie heeft zich in dit land ontladen, alsof alles aan het begin van de veranderingen op springen stond.

„Er is een grote prijs betaald door de Chinezen voor de vooruitgang”, zeg ik tegen meneer Xu. „Het verlies van al dat ouds, de vervuiling die haast onbeheersbaar wordt.” Meneer Xu heft zijn hand. „Dat is politiek, daar beslissen wij kleine mensen niet over.” De tolk, een Chinese vrouw die in Schotland heeft gestudeerd, voegt voor het eerst een persoonlijk commentaar toe: „Chinezen kunnen niet protesteren. Wij mogen niet stemmen, geen petities tekenen, geen ingezonden brieven schrijven, niet demonstreren.” Meneer Xu kijkt verontrust, hij houdt niet van dit soort wendingen in het gesprek. „De politiek is voor de hoge heren”, weert hij af. „Wij staan erbij en we kijken er naar. Het enige wat we kunnen doen is alles documenteren.”

Op 15 mei verschijnt het boek ‘Shanghai Skyline’ van van Carolijn Visser. Daarin wordt ook het verhaal verteld van Meneer Xu.