In Fictie

De actualiteit is vaak een spiegel van de literatuur. Deze week het mega-oeuvre van een Parijse hoogleraar in het licht van Roald Dahls korte verhaal ‘De verhalenmachine’.

Je hebt Vestdijk (52 romans), Brakman (55), Balzac (91), Simenon (200) en Alexandre Dumas-père (250). Er is Lou de Jong (meer dan 40 dikke non-fictieboeken) en natuurlijk L. Ron Hubbard (een oeuvre van meer dan duizend titels). Maar ze vallen allemaal in het niet bij Philip M. Parker, een Parijse hoogleraar die, zo bleek deze week – bijna 86 duizend titels op zijn naam heeft staan. Elektrische bedrading, Indiase kleedjes, ziektes met onuitsprekelijke namen – er is geen onderwerp zo obscuur of Parker biedt er wel een boek over aan op Amazon; niet zelfgeschreven, maar met behulp van een computerprogramma samengesteld uit rechtenvrije internetteksten.

Parkers geheim is zijn ‘method and apparatus for automated authoring’, die het mogelijk maakt om binnen twee uur teksten op onderwerp te sorteren en in een raamwerk te plakken; in verschillende genres, zij het allemaal binnen het domein van de non-fictie. Parker heeft er octrooi op, maar het lijkt als twee druppels water op het procédé in het verhaal ‘The Great Automatic Grammatizer’ uit de bundel Someone Like You (1957) van Roald Dahl. Hierin ontwerpt een computerprogrammeur met literaire aspiraties een machine waarmee hij fictie kan schrijven. Aanvankelijk korte verhalen, die met een paar drukken op de knop kunnen worden voorzien van een intrige en een vorm die past bij het tijdschrift waarvoor het bedoeld is; later ook werk van langere adem. Daartoe perfectioneert Adolph Knipe zijn grammatizer met knoppen voor het gewenste aantal hoofdstukken en voor kracht, geheimzinnigheid en diepgang, terwijl hij het apparaat uitrust met een controlesysteem dat door de ‘auteur’ bediend moet worden: ‘Eén pedaal beheerste het percentage toe te voegen hartstocht – de andere de intensiteit van de hartstocht.’

De verhalenmachine wordt een doorslaand succes; als Knipe zijn financier (en collega-auteur in spe) heeft geleerd om vooral het hartstochtpedaal met mate te bedienen, verkoopt zijn agentschap al snel zó veel verhalen per week dat hij pseudoniemen tekort komt. Hij besluit om de andere schrijvers van Engeland te betalen om hun naam te gebruiken (‘Creatieve drang? Ze zijn alleen maar in geld geïnteresseerd – net als ieder ander’). Slechts weinigen bieden weerstand, de schrijver van het verhaal dat we zitten te lezen – en dat in vertaling ‘De verhalenmachine’ heet – is een van de laatsten: ‘O God, geef me de kracht om mijn kinderen te laten verhongeren.’

Roald Dahl zag een zwarte toekomst voor creatief schrijven in het Engelse taalgebied; een toekomst die snel dichterbij komt als professor Parker een beetje zijn best doet en zijn programma uitbreidt naar literaire fictie. Maar misschien is het al zo ver, en wordt zo’n verhalenmachine al jarenlang gebruikt – door de erven L. Ron Hubbard bijvoorbeeld.

Pieter Steinz

Roald Dahl: M’n liefje, m’n duifje. Vert. Hans Edinga. Meulenhoff, tweedehands.