In 1968 werd de wereld vrijer en liberaler

Een paar cijfers geven een wereld van verschil weer tussen nu en 1968, veertig jaar geleden. In 1968 was de gemiddelde leeftijd in Nederland nog geen 29 jaar, nu is die bijna veertig. Toen was slechts vijf procent van de bevolking van buitenlandse of Nederland-Indische herkomst, nu is dat twintig procent – en de meesten uit die groep stammen niet uit voormalige rijksdelen. Toen was de straat jong en blank, nu zijn er meer huidskleuren en is er meer grijs haar te zien.

En dan de economie: in 1968 bedroeg de groei 6,7 procent maar voor dit jaar heeft het Centraal Planbureau een bescheiden 2,25 procent geraamd. De jaren zestig kenmerkten zich door loonexplosies die soms de tien procent per jaar te boven gingen. Veel mensen hadden voor het eerst van hun leven een auto voor de deur en een zwart-wit tv erachter.

Aan zoveel nieuwe weelde moest de levensstijl worden aangepast. Dat, en niet de ideologische strijd daaromheen, was de kern van de jaren zestig. De tijd van zuinig opbouwen was voorbij, Nederland en andere westerse landen liberaliseerden, met de talrijke jongeren uit de geboortegolf in de voorhoede. De protesten en manifestaties waren kleine sociale aardbevingen die de spanning tussen nieuwe materiële vrijheid en oude strenge normen verlichtten. Het waren de jaren van seksuele bevrijding en van emancipatie, voor vrouwen die gelijke rechten verwierven, voor arbeiders die meer invloed kregen, voor jongeren die als eersten in hun familie konden studeren en voor homoseksuelen die hun geaardheid niet langer hoefden te verbergen.

Het hele Westen werd liberaler, ondanks initiatieven tot restauratie. In Frankrijk kwam het tot een onverwacht harde confrontatie met het gezag in mei 1968, die deze maand wordt herdacht. In de Verenigde Staten stond 1968 in het teken van verzet tegen de Vietnamoorlog, waar dienstplichtige jongemannen heen moesten en van de emancipatie van zwarten, kwesties die nog niet speelden in het blanke, vreedzame Nederland. Hier waren de autoriteiten soepel met de eisen van jongeren, alsof ze er zelf altijd ook zo over hadden gedacht. Ze durfden jongeren ruimte te geven, omdat er in een homogeen land uiteindelijk grote consensus was. Dat de vrijheid in latere jaren ook is ontaard in excessen als het terrorisme van de jaren zeventig, stijgende misdaad en drugsverslaving, doet daar niet aan af. De jaren zestig zijn geen linkse of rechtse zaak. Van de liberalisering heeft iedereen de vruchten geplukt, hoe men ook tegenover die periode staat. De individualisering begon toen en is nog altijd een zegen voor iedereen.

Vergeleken met toen is de samenleving behoudzuchtig en bezadigd geworden. Er is meer misdaad en de mensen zijn ouder, dus ze hechten minder aan vrijheid en meer aan veiligheid. Globalisering heeft het bestaan veranderlijker en economisch minder zeker gemaakt. Mensen die eerst net de middenklasse haalden, dreigen nu onderuit te gaan. Er ontstond een multiculturele samenleving met groepen die houvast zoeken bij eigen traditionele normen. Conservatieve moslims en christenen vechten liberale waarden aan.

Pim Fortuyn, homoseksueel en veteraan van de jaren zestig, ging in 2001 de politiek in om zich af te zetten tegen conservatieve moslims. Maar de liberale paradox bestaat erin dat conservatieve moslims de vrijheid moeten hebben om antiliberaal te zijn. Nederlanders zijn banger en behoudender geworden, maar ze raakten ook meer gewend aan etnische en culturele diversiteit. De jeugdige, liberale onbevangenheid van toen moet een inspiratiebron blijven, net als de muziek. Emancipatie is nooit voor iedereen afgerond. Dat maakt stilstaan bij 1968 de moeite waard.