‘Ik was niet geschikt voor de wereld’

‘Van kinds af aan heb ik moeite met er zijn’ Foto Bas Czerwinski 06-05-2008, Haarlem. Dichter Sylvia Hubers. Foto Bas Czerwinski Czerwinski, Bas

‘Mijn CWI-consulent vond het niet zo’n goed idee dat ik mijn sollicitaties op rijm zette, ook al stond ik ingeschreven als dichter. Wist je dat dat een officieel beroep is? Er zijn alleen nooit vacatures. Mooi dat ik wel aangenomen werd bij die feestwinkel, voor twee dagen per week. Het leek me geinig om daar te werken. Voelde me in de winkel meteen thuis, het valt daar ook minder op als je zelf een beetje raar bent. Bovendien was de baas een knappe Pakistaan met wie het goed klikte. Ik moest wel twee weken proefwerken, voordat hij mij aan durfde te nemen. Ik was verlegen tegenover de klanten. Mijn enthousiasme en nieuwsgierigheid gaven de doorslag. Die winkel is een uitstalkast vol rare en nutteloze dingen, die mensen komen kopen. Heel vreemd. Verwondering is een mooie drijfveer.

Maar eigenlijk ben ik natuurlijk onder valse voorwendselen gekomen. Ik wilde daar werken omdat er wat te halen viel, ik ben geen feestwinkelmeisje, ik ben dichter. Nu ben ik dan toch ontmaskerd. Vorige week zei mijn baas: „Van mij hoef je niet meer te komen, hoor.” Eén dag ben ik van slag geweest, want ik deed wel verschrikkelijk mijn best. Uitgeput was ik aan het eind van de dag. Hij zag dat het niet lukte, na een half jaar nog niet.

Van kinds af aan heb ik moeite gehad met ‘er zijn’. Niet dat ik dood wilde, maar leven wilde ik ook niet. Ik was niet geschikt voor de wereld, en de wereld was niet geschikt voor mij. Op de kleuterschool had ik het al. Kinderen maken herrie, hoge schelle geluidjes. Daar kon ik niet tegen. Toch weet je op die leeftijd al dat je er eigenlijk bij zou moeten horen. Later, als tiener, ging het mij parten spelen dat ik in beelden denk, en niet in taal. Jullie zien ook beelden, natuurlijk. Maar als iemand zegt ‘er zitten zes mannen aan tafel’, kan ik dat alleen maar begrijpen als ik het plaatje van die tafel met de mannen voor me zie. Ook heeft alles een symbool of een kleur voor mij. Het is een andere wereld, die ik niet kon delen.

Je voelt je intelligent – mijn IQ is ooit vastgesteld op 135 – maar leren lukt niet. Op school gaat al het leren via taal. Voor Frans idioom haalde ik altijd tienen, echt altijd. Een woord is namelijk een plaatje. Aardrijkskunde ging goed omdat daar veel beelden bij te pas kwamen. Maar geschiedenis kreeg ik niet in mijn hoofd, met die abstracte teksten. Had ik in deze tijd op school gezeten, ze zouden me stripverhalen gegeven hebben, en een beeldwoordenboek. Toen ik op mijn twintigste eindelijk – via de mavo en de havo – mijn vwo-diploma had gehaald, had ik geen moed meer om een zware studie te gaan doen. Ik ben een deeltijdopleiding tolk-vertaler gaan volgen, bij wijze van studiebeurs vroeg ik een uitkering aan.

Op school al had ik de magie van gedichten ontdekt. Je hoefde ze niet te begrijpen zoals je normale teksten hoorde te begrijpen. In 1986 had ik op een poëzieavond in het jongerencentrum de podiumdichters Adriaan Bontebal en Willem Woelwater zien optreden, dat was zó leuk, ik ben meteen ook gaan schrijven. Ik begon met fietsgedichten, ik fietste veel in die tijd. Schattige breiwerkjes waren het. Bontebal, die ik wat gedichten had opgestuurd, nodigde me uit om te komen voorlezen in zijn literair café in Den Haag. Daar ontmoette ik weer andere dichters die me uitnodigden, en ik ben zelf literaire middagen gaan organiseren in Utrecht. Ik deed eigenhandig de presentatie, het zat altijd vol. Daarnaast toerde ik door het land met Ingmar Heytze en Thomas van Straten, we noemden ons De Garagedichters. We traden op in gevangenissen, fabrieken, en van Winterswijk tot Baarle Nassau gingen we alle jeugdhonken met pindagooiende hardrockers af.

Bij de Sociale Dienst vonden ze het ontzettend leuk wat ik deed. Elk half jaar kwam ik op gesprek, het waren heel aardige mensen, die sociale academie gedaan hadden. Het was mijn moeder die op een gegeven moment zei, toen ik wat hangerig was nadat ik gestopt was met de literaire evenementen (mijn opleiding had ik er eerder al aan gegeven): „Ga dan toch werken!” Ik kon niets verzinnen wat daar tegen was, en ben naar het arbeidsbureau gegaan. Met een ‘startsubsidie voor de oudere werknemer’ ben ik, op mijn zesentwintigste, bij een bakker terecht gekomen. Daar zijn twaalf broodgedichten uit gekomen. Ze geven weer hoe je daar staat, als bakkersmeisje, uit je eigen biotoop in een vreemde omgeving neergezet. Voor mij was het topacteerwerk. Eer ik de woorden ‘anders nog iets?’ kon zeggen! Die woorden kloppen niet, dus ik vroeg ‘wilt u verder nog iets?’, maar dan verstonden ze me niet.

Het contract bij de bakker liep na een half jaar af, ik werd transportmedewerker op het expeditieplatform van de PTT. Ik moest chauffeurs controleren, en daarna samen met hen containers uit de wagens sjouwen. Dat was fysiek erg zwaar, en ik moest voor het werk altijd eerst een paar biertjes drinken, anders kon ik die brutale chauffeurs niet aan. Dat hield ik natuurlijk niet vol. Ik heb de rare neiging om telkens volkomen niet bij mij passend werk te gaan doen. En welke baan ik ook heb, altijd heb ik het gevoel dat ik alleen maar een rol speel. Ik wil daarom ook nooit lang blijven, bang als ik ben om door de mand te vallen.

Eén keer was dat anders. In het café hoorde ik boven het geroezemoes het woord ‘stadsbrandwacht’ oplichten. „Dat wil ik worden”, dacht ik. Het was een project voor langdurig werklozen – wat ik niet was, dus ik heb nog moeite moeten doen om erbij te komen. Maar het bleek helemaal geen baan, het was een verzinsel. Compleet met een eigen projectbureau en uniformen voor ons, met speciale epauletten. We zouden brandkranen en brandweerwagens moeten controleren. Heel af en toe controleerden we een brandkraan, maar de wagens, dat deden de brandweermannen liever zelf. Logisch. Dus maakten we de keuken schoon en de smeerput. Na twee jaar werd het project opgeheven. Ik had daar rond kunnen lopen en alles op kunnen schrijven, maar ik was vergeten dat ik dichter was. Er kwam geen druppel poëzie meer uit. Om gedichten te schrijven moet je afstand kunnen nemen maar dat kon ik niet, gegrepen door het ideaal om de stad brandveiliger te maken.

Nog een keer begon ik enthousiast en vol goede moed aan een baan. Bij een vereniging die zich inzette voor een solidaire economie zou ik redactiewerk gaan doen, interviews en artikelen schrijven. Het was weer een Melkertbaan, ik was dus gratis. Daardoor kreeg ik veel nutteloze klusjes opgedragen. Op een dag was bij een verhuizing de inhoud van mijn bureau bij het vuilnis terecht gekomen. Ik schrok me dood, er zat wéken werk in. Maar na verloop van tijd bleek dat er geen haan naar kraaide. Toen werd ik overspannen.

Tijdens het schrijven van Terug naar de Apotheker, mijn laatste bundel, heb ik afgerekend met het ‘niet willen zijn’. Als het niet zo zalvend klonk, zou ik zeggen: ik heb het leven omarmd. Wie eigenlijk niet wil leven, heeft geen energie om te doen wat hij echt graag wil, want niets is zo levendig als je thuis voelen bij wat je doet. Die momenten had ik als ik een gedicht had geschreven dat klopte, of een optreden dat goed ging. Nu weet ik dat de poëzie voor mij de basis is, en dat ik daarmee verder wil. Ook al zijn mijn twee bundels goed ontvangen en lees ik geregeld voor, er helemaal van leven is een ander verhaal, dus ik zal toch weer een baan moeten vinden. En ik wil ook graag werken. Het is mijn contact met de wereld. Daarbij heb ik altijd een groot verlangen gehad om normaal te zijn, om er niet voor spek en bonen bij te hangen. Wat daardoor juist elke keer gebeurde, want ik was overal waar ik niet thuis hoorde.”

Brigit Kooijman