Hulde aan de poldermoeder

Nederlandse vrouwen hebben dé manier gevonden om moederschap en werk te combineren. „Dan zit ze niet in de Raad van bestuur. Nou en!”

Panders, Wendy

Op allerlei gebieden vindt Nederland zichzelf een voorbeeld voor de hele wereld. Apetrots zijn we op de manier waarop wij de angel weten te halen uit lastige kwesties als prostitutie, sofdrugs en euthanasie. Maar begin niet over de vrouwen in dit land. Zodra die ter sprake komen, verdwijnt de nationale zelfgenoegzaamheid als sneeuw voor de zon. Het hoofd gaat hangen en de schouders krimpen schuldbewust ineen. Nee, de vrouwen in Nederland slagen er maar niet in om op het juiste spoor te komen. Daar is iedereen het over eens.

Geen bevolkingsgroep in Nederland krijgt zoveel kritiek als de vrouwen. Ze werken te veel of juist te weinig. Ze hebben te veel of te weinig kinderen. Ze zijn te ambitieus of te lui, te hard of te zacht, te degelijk of te uitdagend. Feit is dat hele beroepsgroepen aan status verliezen, zodra vrouwen instromen. De autoriteit van artsen, rechters en advocaten is niet meer dezelfde als vroeger.

Moeders zijn helemaal het haasje, want opvoeden kan je in deze tijd van pedagogische betweterigheid alleen nog maar fout doen. In geen ander land in Europa is de vorming van kinderen zo’n heikel thema als in Nederland. Sidderend wachten tot je zoon bij de slager ‘dank u wel’ zegt als hij een plakje worst krijgt. Want zo hoort het. Veel moeders krijgen vandaag misschien wel een ontbijtje op bed, maar het gevoel dat ze tekort schieten zit diep.

Omdat het met de Nederlandse vrouwen zo bar en boos is, wordt alles op alles gezet om ze vooruit te helpen. Het huidige kabinet werkt vanuit verschillende departementen aan diverse plannen van aanpak. Het christelijke deel van de regering wil van de Nederlandse vrouw drie dingen: ze moet meer geld verdienen, ze moet meer kinderen krijgen en ze moet beter voor haar kinderen zorgen. Je zou denken dat die eisen met elkaar in strijd zijn. Maar gezinsminister Rouvoet, zelf vader van vijf kinderen, zal komend najaar een nota presenteren waarin hij uiteen gaat zetten hoe dat allemaal mogelijk is: meer kinderen krijgen, meer werken én meer zorgen.

Toen premier Balkenende een tijdje geleden klaagde over het ‘gebrek aan VOC mentaliteit’ in Nederland, wisten de meeste vrouwen – schuldbewust als ze zijn – natuurlijk meteen op wie hij doelde. Het is hoog tijd dat de vrouwen in Nederland de handen uit de mouwen steken. Coalitiepartner PvdA is het daarmee eens, hoewel het die partij vooral te doen is om de gelijkheid tussen mannen en vrouwen die nu eindelijk eens bereikt moet worden. Wat dat betreft valt de Nederlandse vrouw ook weer veel te verwijten. Ze heeft de kansen voor gelijkschakeling der seksen die de tweede feministische golf haar bracht, laten liggen. Vrouwen kiezen nog altijd geen technische studies, zitten niet op topposities en zijn zich – notabene – ook weer gaan profileren als sekssymbool.

Zo wordt het dus nooit wat.

Maar hulp is onderweg. De regering heeft een ‘Taskforce deeltijd-plus’ opgericht, die moet helpen een ‘positievere beeldvorming’ te creëren van moeders met zware banen. Vijf miljoen euro is daarvoor uitgetrokken. Minister Plasterk heeft vorig jaar een emancipatienota naar de Kamer gestuurd, ‘Meer kansen voor vrouwen’. ‘Gendermainstreaming’ is waar hij naar toe wil, seksevereffening. Uit de nota blijkt dat er nog veel werk aan de winkel is. Zo valt uit een tabel op te maken dat de ‘deelname van vrouwen aan handelsmissies’, thans nul, moet worden opgeschroefd naar 20 procent. Het percentage van vrouwen ‘in algemeen-technische adviescolleges’, thans 17 procent, moet stijgen naar 50 procent en het percentage vrouwen in ‘leidinggevende functies met integrale eindverantwoordelijkheid over mensen en middelen’ bij de overheid moet in 2011 maar liefst 25 procent bedragen. In 2016 moet hoe dan ook 60 procent van alle vrouwen economisch zelfstandig zijn. Ook is het zaak, zo suggereert de nota, dat vrouwen zich zediger gaan gedragen, want de ‘seksualisering’ van de samenleving is een bedreiging voor haar positie. Dachten vrouwen dat ze in hun naveltruitjes onweerstaanbaar waren, is het weer niet goed.

Intussen wordt gewerkt aan een wetsvoorstel dat bedrijven moet verplichten om vrouwen op te nemen in hun raden van bestuur. Een probleem daarbij is dat de meeste vrouwen geen zin hebben om daar in te zitten. Maar wat FNV-voorzitster Agnes Jongerius betreft, máken ze dan maar zin. Ja, vrouwen, emancipatie gaat niet vanzelf!

Met dat gemoeder moet het ook maar eens afgelopen zijn. De zorg voor kinderen kan worden overgelaten aan kinderdagverblijven en ‘gastouders’. Dit botst een beetje met het ideaal van burgerlijke huiselijkheid dat de christenen nog stiekem koesteren. Maar de coalitiepartners hebben elkaar dan wel weer gevonden in het idee dat het allemaal niet te veel geld mag kosten. De genereuze tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang die Wouter Bos had beloofd, is snel weer teruggedraaid, omdat de bomen nu eenmaal niet tot in de hemel groeien.

Tot zover de pogingen van het kabinet om de vrouwen de goede kant op te sturen. De andere drijvende kracht achter de verheffing van de Nederlandse vrouw zijn de vrouwen zelf. Zij wijzen elkaar dagelijks de weg. Allemaal vanuit andere invalshoeken. Maar over één ding zijn ze het met elkaar eens: vrouwen doen het verkeerd. Even fel als de kritiek op vrouwen die niet of weinig werken, is de kritiek op vrouwen die wel werken, maar weer weinig tijd hebben voor hun kinderen. Alle werkende vrouwen zijn vertrouwd met de misprijzende blik van de moeders op het schoolplein die er wél elke middag staan. Of met het commentaar van hun eigen moeders: ‘Na zo’n hele dag op de crèche zal dat arme kind wel doodmoe zijn’.

Het vaste patroon in het voortdurende commentaar van vrouwen op elkaar is: kijk naar mij, ik doe (of deed) het wél goed. Grand Old Lady Cisca Dresselhuys vindt de huidige generatie vrouwen bijvoorbeeld ‘verwend’, zei ze onlangs bij haar afscheid van het blad Opzij. Ze willen alleen nog maar shoppen in de P.C. Hooftstraat in plaats van vechten voor hun rechten, zoals zíj vroeger heeft gedaan. Vrouwenactiviste Heleen Mees vindt dat hoog opgeleide moeders personeel moeten inhuren om voor hun kinderen te koken en hun huis schoon te maken. In Amerika, waar zij woont, is dat namelijk heel normaal. En de ambitieuze staatssecretaris Sharon Dijksma bedacht, toen zij nog Kamerlid was, zelfs een straf voor vrouwen die niet, net als zij, ambitieus waren: opleidingsgeld terugbetalen!

Je hoort nooit een man over een andere mannen zeggen dat zij het verkeerd doen. In de emancipatienota was de man dan ook opvallend afwezig. Hij hoeft niet te veranderen.

Vroeger was het feminisme een strijd tegen mannen. Dat is allang niet meer zo. Mannen vinden het wel best. De meeste werkende vrouwen blijven het huishouden toch wel doen. Het zijn de vrouwen die de vrouwen aanvallen. Is dat wat al die jaren van vrijheidsstrijd hebben opgeleverd? Je zou bijna gaan geloven in de Freudiaanse theorie van de ‘penisnijd’, dat vrouwen het eenvoudigweg niet kunnen verkroppen dat ze iets missen. En dat ze daarom elkaar maar gaan aanvallen.

De Canadese psychologe Susan Pinker beschreef onlangs in haar boek The Sexual Paradox dat het verschil in maatschappelijke positie tussen mannen en vrouwen voor een belangrijk deel is aangeboren. Stel dat dat waar is, wat een opluchting zou dat zijn. Dan is er niks aan te doen, hoeven vrouwen elkaar niets meer te verwijten en kan de overheid ophouden met nota’s schrijven. Vrouwen zijn gewoon ánders dan mannen. Daarom gedijen ze (vaak) niet in hun hiërarchische orde.

Stijgen in een mannenhiërarchie is gelukkig ook niet de enige manier om ambities te verwezenlijken. Klimmen in de hiërarchie van organisaties is sowieso niet zaligmakend. Het is een lichtpuntje dat steeds meer vrouwen dat door lijken te krijgen. Steeds vaker zie je dat ze voor zichzelf beginnen. Dan komen ze niet in de raad van bestuur van een grote onderneming. Nou en? Er zijn ook maar weinig vrouwen die metselaar willen worden. Of vuilnisman, of straatveger. Hoe erg is dat?

Aan het begin van de twintigste eeuw konden en mochten vrouwen vrijwel niks. Tegenwoordig kunnen en mogen ze bijna alles. Maatschappelijk hebben zij ten opzichte van de meeste mannen nog maar één handicap: zij hebben er meer moeite mee de dagelijkse zorg voor hun kinderen uit handen te geven. Door Heleen Mees en Cisca Dresselhuys wordt dat probleem weggewimpeld. Naar de opvang met die kinderen! Maar zelf kinderloos, oordelen zij wat dit betreft als blinden over kleuren.

En door alle kritiek heeft niemand oog voor de goede oplossing die de meeste moeders voor het dilemma werken of zorgen inmiddels hebben gevonden. In de beste Hollandse poldertraditie zijn ze aan het dweilen geslagen. Dagje werken, dagje zorgen, half dagje werken, half dagje zorgen, eigen zaakje beginnen. Om twee uur alles afhebben, zodat ze om half drie met hun dochter naar paardrijles kunnen en hun zoon naar voetbal kunnen brengen, en dan ’s avonds nog even een vergadering voorbereiden.

Over VOC-mentaliteit gesproken!

Op Denemarken na is Nederland het land in Europa dat de meeste werkende vrouwen telt. Ze werken alleen minder láng dan de werkende vrouwen in andere landen. De minachting voor die ‘halve baantjes’ is misplaatst. Zo is het aantal echtscheidingen in Nederland bijvoorbeeld een stuk lager dan in Scandinavië. Economische zelfstandigheid is mooi. Maar een beetje afhankelijkheid in een huwelijk kan ook geen kwaad. Is het huwelijk daar ook juist niet voor uitgevonden? Een man die geld verdient, is net zo afhankelijk van zijn vrouw die thuis de boel een beetje in de gaten houdt, als zijn vrouw van hem. En heus Heleen Mees, een moeder die haar kinderen zo af en toe helpt met huiswerk, doet nuttig werk. Als je de belangen van een stabiele omgeving voor kinderen afweegt tegen die van de carrièrekansen voor vrouwen, kun je moeilijk anders concluderen dan dat de fifty/fifty aanpak waar de meeste moeders tegenwoordig voor kiezen, grenst aan ideaal.

Dus waarom die vrouwen nog langer plagen met ‘streefcijfers’ voor 2016?

In de jaren negentig vertelde onze toenmalige premier Kok in de hele wereld over de zegeningen van het poldermodel. Het geheim van dat overlegmodel was een beetje van dit en een beetje van dat. De ene keer krijgt die zijn zin en dan weer die. Kok gooide er hoge ogen mee. ‘In Holland we have the poldermodel’ hoorde je hem op televisie trots tegen Bill Clinton zeggen. Maar over de polderwoman geen woord. Handelsgeest (wat brengt zij op?), calvinistische cultuur (het is niet goed of het deugt niet) en onderling gekift hebben de Nederlandse vrouw in een klemmende greep. Als ze niet op haar werk is, schiet ze tekort, maar als ze niet bij haar kinderen is, ook. Daardoor beseft ze zelf niet wat een prachtoplossing zij de maatschappij eigenlijk biedt met haar omnipresentie. Goed bestuur betekent compromissen maken. Niet zelden schuilt de schoonheid in het schipperen.

Laat het gepreek over wat vrouwen allemaal nog moeten, dus stoppen. Het wakkert alleen maar het gevoel aan dat zij altijd tekortschieten, het enige aan de vrouw dat anno 2008 nog niet is weggeëmancipeerd. Laat premier Balkenende overal ter wereld gaan vertellen wat een mooie oplossing de Nederlandse poldervrouw heeft gevonden voor het lastige dilemma van werken en zorgen. In de volgende emancipatienota hoeft de minister haar dan alleen nog maar te feliciteren met de voltooiing van haar emancipatie en met de manier waarop zij erin slaagt om zoveel dingen tegelijk doen. Dan kan het emancipatiedossier worden gesloten en het budget worden gebruikt om alle Nederlandse vrouwen eens lekker te verwennen. Met een dagje gratis winkelen.

Eind mei verschijnt van Daniela Hooghiemsta ‘Leuk!’, een bundeling van columns over haar gezin uit het blad Esta. Uitgeverij Atlas.