Het Nederlandse burgerschap is een luxe lot uit de mondiale loterij – maak het exclusiever

Rita Verdonk loopt niet weg voor de problemen rond globalisering en migratie. Dat is te prijzen. Maar Nederland verdient een intelligenter antwoord dan Verdonks volksnationalisme. Vier aanzetten daartoe.

Nekuee is socioloog, publicist en mede oprichter van eutopia.nl. Top is auteur van het boek ‘Religie en verdraagzaamheid’

Het spook van opdringerige buitenlanden en buitenlanders blijft het Hollandse politieke landschap overschaduwen. Paul Scheffer begon in 2000 in deze krant op de beschaafde toon van een intellectueel kritiek te leveren op de gelaten houding van de politieke elite ten aanzien van de multiculturele samenleving. Hij zaaide twijfel aan de opvatting dat het met de emancipatie van de allochtonen vanzelf goed zou komen, en dat hun culturele achtergrond moeiteloos samen te brengen zou zijn met de Nederlandse. Vervolgens ging met Theo van Gogh, Fortuyn, Hirsi Ali en later Wilders de stem van de kritische intellectueel ten onder in een polemische orkaan van vertolkers van het bezorgde, angstige en gefrustreerde deel van de bevolking. Geert Wilders maakte er zijn specialisatie van, al biedt zijn angsttaal over islamisering een te smalle horizon om een grote aanhang te kunnen binden.

Veel doortastender gaat Rita Verdonk te werk. Zowel de naam Trots op Nederland als het vertoog van Verdonk zijn doorspekt van positief elan, wat hoort bij de ambitie van een leider die een grote groep van het electoraat voor zich wil winnen.

Haar gepassioneerde pleidooi voor en lofzang op de Nederlandse identiteit past goed in het thema van de globalisering die de nationale identiteit bedreigt. In het welvarende West-Europa verschuift in veel landen in het debat over interne arrangementen en verdelingsvraagstukken het accent van de socio-economische as naar de identiteit-as. Hoe om te gaan met de buitenwereld, met Europa, het Midden-Oosten, Amerika, China en het internationale kapitaal dat ‘onze’ banken en luchtvaartmaatschappijen opkoopt? En wat voor ontvangst, met welke rechten verdienen de meest tastbare representanten van het oprukkende buiten, de immigranten?

Verdonks antwoord op globalisering en multiculturele samenleving komt treffend terug in de speech bij de lancering van Trots op Nederland in Amsterdam: „Dat wij Nederlanders in ons eigen land steeds maar moeten opschuiven en ons moeten aanpassen aan nieuwe culturen. Daarvan zeg ik: genoeg! Er zijn grenzen. Want, mensen, als onze Nederlandse cultuur verdwijnt, verdwijnen ook onze waarden en vrijheden.”

Verdonk vertolkt – anders dan Wilders die uitsluitend het xenofobe deel van het electoraat aanspreekt – zo het latent aanwezige verlangen van ieder mens die ongevraagd geconfronteerd wordt met de veranderende tijden, om niet te willen veranderen. Het is een pleidooi voor integratie met behoud van identiteit en cultuur, maar dan die van de inheemse meerderheid.

Verdonk heeft een punt, zoals dat heet. De globalisering confronteert alle politieke stromingen met de vraag naar het incorporeren van duizelingwekkend veel nationaliteiten (in steden als Amsterdam en Rotterdam meer dan 150) en naar de betekenis van de natiestaat in tijden dat fysieke grenzen aan betekenis verliezen.

Dat zijn wezenlijke identiteitsvragen. Het Nederland met zijn verregaande collectieve rechten en arrangementen geënt op een afgebakende natiestaat en gedeelde zeden en gewoontes, dat Nederland staat op de tocht.

Dat Verdonk het lef en de kracht heeft om stelling te nemen in dit debat, valt alleen maar te waarderen. Maar zij slaat de verkeerde weg in. Integratie met behoud van eigen identiteit was al een contradictio in terminis toen het om immigranten ging. Het idee is nog beroerder wanneer het om de instituties van een natiestaat gaat. Het is mooi om Nederlandse eigenaardigheden te koesteren. Maar met alleen Sinterklaas en Koninginnedag, een boerkaverbod en verplicht handen schudden geef je de natiestaat nog geen nieuwe impuls.

Inheemse eigenheden geven onvoldoende houvast om nieuwe en oude burgers aan elkaar te binden. Ook het nationaliseren van universele principes als gelijke behandeling van man en vrouw en het erkennen van homorechten biedt onvoldoende uitkomst. Het opvoeren hiervan in een nationalistisch discours ontkent de recente en doorgaande geschiedenis van homo- en vrouwendiscriminatie in Nederland en lijkt vooral ingezet te worden om een groep uit te sluiten.

Alleen burgerschap, het meest wezenlijke element van een democratische staat, kan echt verbinden. En daarbij kan het eeuwenoude zelfbeeld van de Nederlandse burger als dominee en koopman goed van dienst zijn om de multiculturele toekomst van dit land in een bestaande traditie te plaatsen. Dat lukt nog beter als we het hebben over dominees, in meervoud. In het verleden waren moreel debat en polemiek immers kenmerkender voor Nederland dan religieuze en morele eensgezindheid. Dit uitgangspunt wordt nog sterker als dominee en koopman niet, zoals gebruikelijk, tegenover elkaar gezet worden maar als complementaire eigenschappen gezien worden. Principiële benaderingen – die momenteel overheersen – werden in het verleden verzacht door de belangen van de koopman. Dat is de balans die we terug moeten vinden.

Wie niet uit een van die schaarse landen komt waar de rechtsstaat en verzorgingsstaat zo goed gearrangeerd zijn als in Nederland, zal beamen dat het Nederlandse burgerschap een luxe lot uit de mondiale loterij is, in materieel en moreel opzicht een kostbaar bezit. Dit is geen peptalk, maar een objectief feit. De Nederlandse burger geniet ruime politieke en sociale rechten en leeft in een van de meest welvarende en zorgzame staten ter wereld. Dit moet echter beter uit de verf komen, de burgers moeten hier meer gevoel en waardering voor krijgen. Dat kan door enerzijds het burgerschap exclusiever te maken, en aan de andere kant aspirant-burgers en culturele of religieuze collectieven te stimuleren om alle kansen te grijpen om dit burgerschap te verdienen. Je zou kunnen zeggen dat er burgerschaps-chauvinisme moet komen. En daarvoor is meer nodig dan wat politieke retoriek, een historisch museum en wat festivals in teken van de artistieke dialoog. We moeten met open vizier onderzoeken welke instituties en welke institutionele praktijken aangepast dienen te worden aan de praktijk van globalisering en migratie. Met als einddoel een weerbaardere en flexibelere samenleving, waarvan de inwoners trots zijn op hun burgerschap. Daarvoor mogen best wat heilige huisjes tegen de grond. We geven vier voorbeelden.

1 Staatsburgerschap is geen vanzelfsprekendheid

Het is zeer de vraag of enkele jaren verblijf in Nederland voldoende reden is om iemand het staatsburgerschap te verlenen. Laat maatschappelijke inburgering een voorwaarde worden voor politieke inburgering. Terughoudendheid inzake politieke rechten voor nieuwkomers is een uitstekend middel om ingezeten burgers te herinneren aan de waarde van hun burgerschap. Zoals nu al de uitzetbaarheid van vreemdelingen bij een delict afhankelijk is van verblijfsduur en zwaarte van de misdaad, kan ook een glijdende schaal ontworpen worden voor politieke rechten. Het is onwenselijk dat men politieke en bestuurlijke functies in de hoogste regionen van de samenleving kan vervullen met behoud van twee nationaliteiten. Niet de persoonlijk integriteit moet in deze de leidraad zijn, maar het principe van de afgebakende begrenzingen tussen twee politieke gemeenschappen. Dat kan niet met ministers en staatssecretarissen met twee paspoorten in de achterzak. Een Koerdisch-Turkse asielzoeker zou bij zijn afwijzing de verantwoordelijke staatsecretaris Albayrak, die naast Nederlandse ook Turkse staatsburger is, terecht naar het Europese Hof kunnen slepen. Hoe kan een Turkse staatsburger beslissen over het lot van een Turkse asielzoeker? Niet de aanval van Wilders op Aboutaleb en Albayrak was onbegrijpelijk, maar de verwarring en paniek bij PvdA en CDA, die in het verleden dubbele nationaliteit toestonden en zich nu realiseren nooit over de gevolgen nagedacht te hebben. Daarom staat ook niet de positie van deze staatssecretarissen ter discussie – in een rechtstaat verander je de spelregels niet tijdens het spel – maar wel de rol van deze partijen die zich op dit punt wentelen in vaagheid.

2 Bestrijd de werkloosheid onder etnische groepen

De arbeidsmarkt is één van de belangrijkste maatschappelijke instituties in een liberaal democratisch land als Nederland: als producent van goederen en diensten; als bron van de zingeving en ordening van het dagelijkse leven voorindividuele burgers; en als bron voor de collectieve identiteit van de samenleving. De dagelijkse werkcadans, werkethiek en discipline zijn onmisbaar. Langdurige werkloosheid heeft destructieve gevolgen voor individuele burgers en hun leefomgeving. Bij langdurige afwezigheid van betaald werk ontstaat een cultuur van –- intergenerationele – werkloosheid. Wie met werkloze ouders opgroeit, heeft minder kans op de arbeidsmarkt en heeft ook niet de kans gehad om arbeidsethos te internaliseren met alle gevolgen van dien voor individu en samenleving.

Bovendien is de werkvloer de plek bij uitstek waar burgerschap ontstaat. Hier komen mensen van verschillende achtergronden elkaar op een niet-vrijblijvend manier tegen. Hier wordt van ze verwacht dat ze ongeacht kleur en tongval samenwerken. Samenleven wordt nergens zo letterlijk gepraktiseerd als binnen de arbeidsmarkt. Wie een nieuw elan wil geven aan het politieke gemeenschapsgevoel moet daarom uiterst voortvarend werken aan participatie van nieuwe burgers in de arbeidsmarkt.

Van de Marokkanen komt volgens het WRR-rapport Idenficatie met Nederland 63 procent niet naar de werkvloer, van de Turken 54 procent. Onder Afghanen en Irakezen loopt dit zelfs op tot meer dan 70 procent. Ter vergelijking: van de autochtone bevolking heeft 67 procent een betaalde baan.

Als het hierbij niet om moslims zou gaan maar om katholieken in Limburg, zou heel populistisch Nederland over die luie Limburgers heen vallen en zou er al lang een werkgelegenheidsprogram zijn opgesteld. Zoals er na de kapingen ook een duizendbanenplan voor Molukkers kwam. Maar in dit geval doen de Nederlandse regeringspartijen en een groot deel van de oppositie niets om een einde te maken aan het leven in werkloosheid van een groot deel van haar nieuwe burgers.

Eén pakket maatregelen zou voldoende zijn, al moeten dan wel alle partijen water bij de polderwijn doen. Vereenvoudig de ontslagbescherming; versterk het beleid tegen discriminatie op de arbeidsmarkt, inclusief quotering; faseer de toegang tot de sociale zekerheid; stel kansenzones in voor nieuwkomers.

Met het huidige tekort aan arbeidskrachten zou niemand hier slechter van hoeven te worden, terwijl we wel het infarct op de arbeidsmarkt verhelpen. Utopisch? Zelfs in een bijna hardvochtig kapitalistisch land als Amerika wordt al sinds jaar en dag erkend dat minderheden en nieuwkomers minder kansen hebben op de arbeidsmarkt wegens discriminatie en de vicieuze cirkel van gebrek aan scholing en aan taalvermogen. De Amerikanen weten dat die cirkel enkel via werk te doorbreken valt. Vandaar de ruimte voor laagbetaalde banen en voor positive action, tegen de laissez faire- principes in. Niet om nieuwkomers te knuffelen, maar vanuit het besef dat een succesvolle samenleving afhankelijk is van het absorberen en binden van groepen op de arbeidsmarkt.

3 Erken de scheefgroei in kunst, cultuur en media

Veel culturele instellingen – media inbegrepen – fungeren niet als de bron en aanjager van kritische en representatieve maatschappelijke reflectie die zij zouden moeten zijn. Bij de publieke omroep komt men al jaren niet verder dan de verzuchting dat ‘de druk op Hilversum stijgt om nou echt iets te ondernemen op het gebied van diversiteit’. Maar in het bestel verandert nauwelijks iets, afgezien van de programmering van de NPS en de komst van Fun-x.

Op het terrein van kunst en cultuur geldt hetzelfde. Neem de recente uitspraak van de Kunstraad in Amsterdam, het met voorsprong culturele centrum van Nederland. Waar de Amsterdamse kunstwereld een interculturele mix zou moeten zijn, is er volgens de Raad „eerder sprake van het ontstaan van een tweedeling”. Bij geen enkele kunstinstelling valt „een heldere en volledig uitgewerkte visie op culturele diversiteit” te ontdekken. „Het lijkt alsof organisaties en gezelschappen de hoop hebben opgegeven aansluiting te vinden bij nieuwe cultureel-diverse publieksgroepen.”

Even symptomatisch is de Werdegang van het idee van een Huis van de Islam, een cultureel centrum dat een verbinding zou moeten leggen tussen kunst en cultuur uit de islamitische wereld en de culturele ontwikkeling van onder meer grote groepen jongeren met een moslimachtergrond. Na veel politiek gesteggel leverde dit het initiatief Kosmopolis op, waarbij het woord islam niet genoemd mocht worden en waarvan de Amsterdamse variant al aan politiek gekonkel ten onder gegaan is.

Zolang de stem en het gezicht van immigrantengroepen nagenoeg ontbreken in de media- en cultuurwereld, krijgt de samenleving een vertekend beeld van zichzelf en krijgen jonge, opkomende intellectuele immigranten onvoldoende ruimte om hun tragische, pijnlijke en spannende verhalen over de nieuwe samenleving in woorden en beelden te articuleren.

4 Geef toe dat er een nieuwe godsdienstkwestie is

Benader die niet door het zwaaien met principes en grote termen als godsdienstvrijheid of het recht op godsdienstkritiek, maar accepteer dat er – net als in het rijke Nederlandse verleden – trekken en duwen, onderhandelen en uitvinden, drang en soms dwang nodig zijn om tot een uitoefening en beleving van de islam te komen die houdbaar is in Nederland.

De onzekerheid die nu zowel bij een deel van de autochtone bevolking als bij mensen met een moslimachtergrond bestaat is de oorzaak van veel opwinding. De ene groep voelt zich onzeker en bedreigd omdat onduidelijk is waar de grenzen liggen van de invloed van de islam in Nederland. Vandaar dat de term islamisering zo aanslaat. De andere groep maakt zich zorgen over de vraag hoe ver de anti-islam maatregelen zullen gaan en vreest voor zijn rechten.

Laten we erkennen dat de islam nog geen met het jodendom en christendom in Nederland vergelijkbare positie heeft, dat moslims vaak niet weten wat het betekent in een minderheidspositie verkeren, én dat er in Nederland grote vooroordelen en bezwaren bestaan tegen de islam.

Vanuit de politieke instituties is tot nu toe vooral formeel gereageerd. Er wordt gewezen op de scheiding tussen kerk en staat, maar tegelijkertijd vinden er allerlei interventies plaats in het domein van de moslimbevolking. Er is een goede reden om voorlopig even het idee van de scheiding kerk en staat te vergeten: om te scheiden is er een verhouding nodig en die is in feite nog niet opgebouwd tussen de Nederlandse politieke instituties en de islam. Het is dus zinniger de scheiding van kerk en staat niet als principe te benaderen, maar als een proces dat nog grotendeels moet plaatsvinden.

Wie in de historie van Nederland kijkt, vindt die processen terug. Het kostte eeuwen voordat de verhouding tot de verschillende kerken en tot het jodendom gesetteld waren. We hadden in Nederland een Napoleon nodig om ervoor te zorgen dat joden verplicht in het Nederlands gingen preken, én meer gelijkberechtigd werden. Het zou toch mooi zijn als wij nu in staat zouden zijn dit proces zelfstandig op gang te brengen, met een brede maatschappelijke discussie over de eisen die in Nederland worden gesteld aan de islam en de rechten die daar tegenover staan. Denk daarbij concreet aan de positie van gebedshuizen, afspraken over de transparantie van religieuze praktijken, en over de islam in het publieke, juridische en politieke domein.

Doel is een nieuwe godsdienstvrede, een pact waarin de do’s en de don’ts zijn vastgelegd. Iets dergelijks gebeurde in 1992 in Spanje, met het ‘Samenwerkingsakkoord tussen de Spaanse staat en de Islamistische Spaanse Commissie’.

De nationale identiteit zal nog geruime tijd een hoofdthema blijven in de politieke arena. De klassieke politici ontkomen er niet aan zich te verdiepen in de nieuwe vragen en kwesties die de migratie en globalisering voortbrengen. Nederland verdient daarbij uitdagender, intelligenter en gedurfder antwoorden dan het volksnationalisme van Trots op Nederland.

Rectificatie / Gerectificeerd

Correcties en aanvullingen

Bert Top

De auteur van het artikel Het Nederlandse burgerschap is een luxe lot uit de mondiale loterij – maak het exclusiever (10 mei, Opinie & Debat) heet niet Bert Top , maar Bart Top.