Heks

Soms ben ik een heks.Zoals vandaag. Ik moet ‘stippen’ bij een klas die ik niet ken. Een veredelde variant van de ophokuren.

Altijd een genot. Ergens tijdens vijftig woelige minuten draait een meisje met een engelengezicht zich naar een schuchtere jongen, met bril.

Ze vraagt: “Ben jij homo?”

De schuchtere jongen sterft langzaam duizend doden.

Hij knippert met zijn ogen en slikt. Ik draai me naar het meisje met engelengezicht. “ ’t Antwoord is nee, maar als hij lang genoeg naar jou kijkt, dan wordt hij het vanzelf.”

De klas loeit. “Oeh, juf, u bokt ’r!”

Kendrick, de mooiste jongen uit de klas, vraagt: “Hoe kan het dat meisjes altijd snel een antwoord weten? Ik weet nooit dingen terug te zeggen.”

Het antwoord moet ik hem schuldig blijven, maar dat is waarschijnlijk omdat ik allang geen meisje meer ben.

Ik heb de klas vijftig minuten beziggehouden met een dictee en andere jolijt. Nog vijf minuten. Wij haten elkaar nog niet.

Het gezicht van Ricky verschijnt voor het raam. Ik was hem vergeten, maar ik had ’m inderdaad een half uur geleden weggestuurd. Op zijn vraag wat hij moest gaan doen, zei ik: “Ga maar uit je neus eten.”

“Kijk juf, Ricky!” Zijn klasgenoten kijken verheugd naar mij.

“Ja”, bitch ik, “zijn neus is leeg zeker.”

Oeeh, zucht de klas. “Juf, u bent gemeen om dat te zeggen van z’n neus.” “Hij kan het ook niet helpen van z’n neus”, vult een ander aan.

“Het is een uitdrukking”, verdedig ik mezelf op pathetische wijze. Maar het klopt, die Ricky heeft een grote gok.

Jaren geleden stond ik bij de deur van m’n klaslokaal om 25 brugklassers uitgeleide te doen.

“Wat hebben we nu, Nederlands?”, vroeg een dreumes aan zijn klasgenoot. Ze bleven staan en keken op hun rooster. “Ja,van de ene heks naar de andere”, zei degene met de grootste rugzak.

Z’n lotgenoot zuchtte.

Ze hadden gelijk.

Joyce de Grand