Gezellig en veilig in Utrecht

Historica Llewellyn Bogaers verlegde haar blik naar de kleine kerken in Utrecht en zag Middeleeuwen vol bloeiende buurtzin en armenzorg. Berthold van Maris

Nederland. Utrecht 4 april 2008. Liewellyn Bogaers. Foto: Werry Crone Crone, Werry

Hadden de katholieken de Reformatie aan zichzelf te danken? De algemeen heersende opvatting is: jazeker! De kerk zou aan het einde van de Middeleeuwen ernstig ontspoord zijn: onderdrukkend, op macht uit, materialistisch. Ook zou het geloof te veel hebben ingespeeld op angst voor de dood en de hel.

Volgens de Utrechtse historica Llewellyn Bogaers klopt dat beeld niet. En zeker niet voor Utrecht, waar de gereformeerden maar een paar procent van de bevolking uitmaakten toen de Reformatie in 1580 van bovenaf werd opgelegd.

Bogaers schreef een dik boek (1.100 pagina’s) over de verwevenheid van religie en maatschappij in het middeleeuwse Utrecht. Ze richtte haar blik niet op het kerkbestuur, maar op de gewone parochiekerken, die door de leken zelf waren gebouwd en ook door hen werden onderhouden en uitgebouwd. Het beeld van de middeleeuwse christen dat daaruit oprijst, is veel socialer en praktischer dan we in de geschiedschrijving gewend zijn.

Bogaers, zelf katholiek, promoveerde met haar visie aan de (gereformeerde) VU. Haar boek is de weerslag van twintig jaar ploeteren in de Utrechtse archieven. Ze bestudeerde een enorme hoeveelheid plaatselijke documenten: verordeningen, vonnissen, en vooral heel veel rekeningen, van kerken, broederschappen en instellingen voor armenzorg.

stadskastelen

Voor het interview heeft Bogaers een plek uitgekozen die meteen ook een illustratie is bij haar verhaal: grand café De Colonie, midden in de binnenstad. “Zoals je ziet, is dit etablissement dertig meter diep”, zegt ze. “Het is gebouwd op de fundamenten van een oud middeleeuws gebouw, ook dertig meter diep, dat hier al in 1300 stond, op wat toen een A-locatie was.” Grote stenen huizen, waaronder ook ‘stadskastelen’, stonden er in de Middeleeuwen veel langs en rondom de Oudegracht. Utrecht was niet alleen een stad met veel kerken, maar ook – “dat wordt wel eens vergeten”, zegt Bogaers – een welvarende handelsstad.

“Er is dat beeld van die rampzalige veertiende eeuw. De pest. De Honderdjarige Oorlog. Het pauselijk schisma. Gebeurtenissen die het leven enorm ontwricht zouden hebben, die veel angst veroorzaakt zouden hebben. Dat beeld wordt er altijd opgeplakt.”

Als we anno 2008 spreken van ‘middeleeuwse toestanden’, dan bedoelen we meestal: duister, onderdrukkend, angstig. Maar een samenleving kan niet eeuwen lang angstig zijn, denkt Bogaers. “Zoals een mens ook niet heel zijn leven alleen maar bang kan zijn. We kunnen zeer aangedaan zijn door een sterfgeval of een ramp, maar op een dag pakken we de draad weer op. Dat deden mensen in de Middeleeuwen ook.”

De veertiende eeuw was voor Utrecht geen rampzalige, maar eerder een Gouden Eeuw. De bevolking verdubbelde. De voorsteden groeiden. “De helft van de bevolking bezat het burgerrecht: dat waren ondernemers en ambachtslieden. Wij hebben nu dat beeld dat er heel veel armoede was in de Middeleeuwen, maar in Utrecht zien we een behoorlijk ontwikkelde en geletterde samenleving.”

laatste oordeel

Helaas is de Jacobikerk, niet ver van ons café, deze middag gesloten. Bogaers had me graag een schilderij laten zien. Nu kijken we naar een reproductie in haar boek. Het schilderij stond vroeger op de ‘armenbroodtafel’, waar de liefdadigheidsmaaltijd voor arme parochianen werd uitgedeeld. Het bestaat uit twee langwerpige panelen. Op het ene paneel zien we het Laatste Oordeel, de hemel (mooie, naakte mensen), de hel (vuur en duivels). Op het andere paneel: een geïdealiseerde middeleeuwse stad, waar mensen brood uitdelen, aalmoezen geven en andere goede werken verrichten. Het schilderij spoort de parochianen aan geld te doneren voor de armenbroodtafel. Want wie goede werken verricht, heeft meer kans om in de hemel te komen. De vraag die Bogaers bezighoudt is: waar ging het de gevers om? Waren ze echt zo benauwd over hun ‘zieleheil’? Of was het gewoon een sociaal gebaar met wat religieuze symboliek eromheen? “Onze beeldvorming is heel erg gebaseerd op moralistische en theologische geschriften. Dat zou dan ook de mentaliteit van de mensen zijn. Maar was dat wel zo?”

Ze begon haar onderzoek ooit met de stedelijke verordeningen op openbaar ritueel. “De viering van Sint-Maarten, de meiviering, de Pinksterviering, jongelingfeesten: al die rituelen, waarvan ik het bestaan niet kende, hebben hier erg gebloeid, tot in de zeventiende eeuw. Er moet dus vanuit de bevolking een organisatie geweest zijn, die die feesten in banen leidde en organiseerde. Dat bleken de ‘buurschappen’ te zijn.”

Bogaers vond in de archieven talloze verwijzingen naar een sociale organisatie op buurtniveau. Een buurt bestond in die tijd uit zestig tot tachtig huizen. Alle bewoners waren lid van het ‘buurschap’, een soort vereniging die een aantal praktische zaken regelde. “De brandveiligheid. De openbare weg moest schoon en veilig zijn. Er mocht niks uitsteken waaraan mensen zich konden verwonden. Dat soort dingen. Maar ook op sociaal terrein. Een barende vrouw kreeg hulp van haar buurvrouwen. De buren verzorgden de begrafenis. En alle buren kwamen afscheid nemen van een stervende buurtgenoot. Dat werd ‘zegenen’ genoemd en was een gebaar van verzoening. Eigenlijk was in de Middeleeuwen alles op verzoening gericht: biecht, testament, laatste sacrament...”

Het bijzondere van die middeleeuwse buurten was ook dat arm en rijk daar door elkaar woonden. “Ik heb in de bronnen een keer een bedelaar ontmoet die al twintig jaar in dezelfde hooiberg woonde. Dus er was een vanzelfsprekend contact tussen arm en rijk. Ook in de vorm van hand- en spandiensten, denk ik.”

Een aanzienlijk deel van Bogaers’ boek gaat over de armenzorg in Utrecht. “In het standaardwerk Algemene Geschiedenis der Nederlanden staat dat de armenzorg in de Middeleeuwen slecht geregeld was. ‘Gelukkig’ kwam de Reformatie en toen werd de armenzorg goed op poten gezet – is de gedachte. De middeleeuwse armenzorg zou vooral in het teken hebben gestaan van het zieleheil. Maar het beeld in de archieven is heel anders. De oudst bekende instelling in Utrecht, het Heilige Geesthuis, werd gewoon gesticht door burgers en was niet aan een kerk verbonden. En mensen doneerden vaak anoniem: hun giften verdwenen in de grote pot.”

syfilis

Bogaers telde in heel Utrecht 34 instellingen op het gebied van de armenzorg. “Ze ontstonden meestal als antwoord op een actuele nood. Bijvoorbeeld, de soldaten die met Filips de Schone zijn meegegaan naar Spanje kwamen terug met syfilis. Meteen daarna wordt hier het Sint-Jobs-Gasthuis geopend, onder anderen voor deze syfilis- patiënten. Het was praktische zorg, in een tijd dat zorg zeker niet van bovenaf geregeld was.”

De parochiekerken moesten het eveneens voor een groot deel hebben van donaties. Ook hier veel gevers die niet met naam of toenaam bekend wilden zijn en er ook geen clausule van zieleheil aan verbonden. Bogaers: “Wij hebben dat enorm vergroot. Bovendien, het argument van het zieleheil was vooral ook een juridisch argument. Tot in de dertiende eeuw was het eigenlijk niet mogelijk om geld of goederen te vervreemden: alles wat in de familie was, moest in de familie blijven – dat was het gewoonterecht. Op een gegeven moment ging de kerk zeggen: als iemand goede werken wil laten verrichten omwille van het zieleheil, dan is een legaat aan de kerk toegestaan, want het is voor de ziel. En dan raakt ook in testamenten het begrip zieleheil verknoopt met legaten voor een goed doel. Het is natuurlijk heel erg de vraag of je die juridische context nog wel als een mentaliteitshistorische uiting mag zien. Of mensen het werkelijk zo voelden.”

We verlaten het café en lopen naar de Buurkerk (‘kerk van de buren / burgers’): een grote middeleeuwse parochiekerk in het hart van de stad, die niet erg opvalt, omdat er in de loop der eeuwen van alles tegenaan en omheen is gebouwd. “De oude handelskern was om de Buurkerk”, vertelt Bogaers. “En nog steeds ligt de kerk tussen belangrijke winkelstraten.”

Ze wijst naar een paar winkelpanden: “Daar was vroeger de schoenmakershal en daar het huis van de marskramers. Deze kerk stond dus midden in de samenleving. En andersom kwam de samenleving de kerk ook binnen. Ken je het boek The stripping of the altars van Eamon Duffy? Wat het belang van dat boek is geweest en ik hoop ook van mijn boek: de kerk was een plaatselijke kerk. Er was een kerk in Rome, maar daar hadden ze hier niet zo heel veel mee te maken. De parochiekerken waren van de parochianen. De mensen zelf bouwden de kerk. De kerk was niet rijker dan de parochianen. De mensen gaven giften, daar zaten ook kleine giften van heel gewone mensen bij: een gift van de bedelaar, van de appelkoopvrouw. Dat vind je allemaal terug in de rekeningen van de Buurkerk.”

In de late Middeleeuwen is de elite wel steeds nadrukkelijker in de Buurkerk aanwezig, met eigen graven en zelfs eigen altaren. Was dat geen teken van moreel verval? Het Nieuwe Testament is niet erg positief over het tonen van persoonlijke rijkdom.

zieleheil

Volgens Bogaers is dat gewoon een teken dat samenleving en kerk in elkaar overliepen: “De kerk was toen hét gebouw. Daar wilde je je dus ook laten zien. Nu hebben wij heel veel andere plekken waar het de moeite waard is om je te laten zien. Voor Voor 1300 was een kerkelijk graf alleen voorbehouden aan de hoogste elite. In 1300 zie je dat het argument van het zieleheil de weg plaveit voor meer eigen graven in de kerk. De kerk heeft geld nodig. Rond 1300 wordt het mogelijk dat weldoeners aan de kerk als tegenprestatie bijvoorbeeld een graf in de kerk kunnen eisen.”

De populariteit van een graf in de kerk verklaart ook waarom broederschappen zo succesvol waren in de late Middeleeuwen. Broederschappen – verenigingen van leken binnen een kerkelijk-religieuze context – zorgden voor een zeer plechtige uitvaart en beschikten ook over graven in de kerk. “Uit de gegevens van de Buurkerk blijkt dat elke broederschap volledig standsgebonden was. Daarin ontmoetten zij dus hun gelijken. Nou, dat was erg aantrekkelijk, ze zagen elkaar eens in de week. Hoewel het officieel om het zieleheil ging, zat er dus een heel plezierige sociale kant aan.”

Hoe plezierig ook, Utrecht ontkwam niet aan de Reformatie.

“Op het moment dat de katholieke eredienst in Utrecht verboden werd, in juni 1580, telde de Utrechtse gereformeerde kerk 478 lidmaten. Op een bevolking van 25.000 zielen is dat twee procent. Het overgrote deel van de samenleving was katholiek en wilde ook katholiek zijn.”

Hoe kan het dat die hervorming er dan toch kwam?

“De hervorming heeft veel meer politieke componenten dan wij denken. Vooral: de oorlog tegen Spanje. Als die oorlog er niet geweest was, was hier nooit de Reformatie afgekondigd. Veel Utrechtse families hebben acht jaar lang de inkwartiering van Spaanse soldaten moeten verdragen. Die soldaten eisten het beste plaatsje aan de haard en wilden van alles het beste. Daar komt bij dat de politieke verhoudingen na 1528 ontwricht waren geraakt. Tot 1528 hadden de gilden hier een belangrijk aandeel in de raadsverkiezingen, en ook in het bekleden van politieke posities. In 1528 maakte Karel V daar een einde aan, toen hij hier de macht kreeg. De gewone ambachtsmensen, die ook heel rijk konden zijn, zijn daarna de hervormingsgezinden van het eerste uur.

“Er werden heel veel tradities overboord gezet. Die nieuwe elite kon voor een stukje de samenleving opnieuw gaan inrichten. Al was het maar omdat katholieken bij voorkeur niet meer in het stadsbestuur kwamen.”

Llewellyn Bogaers: ‘Aards, betrokken en zelfbewust. De verwevenheid van cultuur en religie in katholiek Utrecht, 1300-1600’. Levend Verleden Utrecht, 1110 blz. (2 delen). Deel 1 (tekst, literatuur): € 49,95. Deel 2 (bijlagen en noten): € 19,95.

www.levendverledenutrecht.nl