Geloof niet in het gevaar van bio-energie of andere ficties rondom de voedselcrisis ?

Verstoor de markt niet, hoor je vaak in analyses van de voedsel- crisis. Maar daarbij wordt vaak voorbijgegaan aan de verstorende rol die grote voedselimperia spelen.

Jan Douwe van der Ploeg

Hoogleraar transitiestudies Wageningen Universiteit.

Stijgende voedselprijzen, nieuwe schaarsteverhoudingen en voedselrellen vormen een ware hype waarbij de diagnoses over elkaar heen buitelen. Waar iedereen het over eens lijkt te zijn is dat de ‘markt niet mag worden verstoord’. En dat terwijl de internationale landbouwmarkten al permanent verstoord zijn. In deze hype vormen biobrandstoffen de ‘little devil’ die staat voor honger, voedselrellen, hoge prijzen, inflatie, nieuwe handelsbeperkingen, een leeg gekapte Amazone en veel ethisch ongemak. Bio-energie staat opeens voor iets dat niet hoort: het steelt als het ware het voedsel van het bord van de arme medemens. Een dergelijke opvatting is hooguit gedééltelijk juist – voor een heel klein deel. Maar het is wel een comfortabele opvatting. Waar ze postvat hoeven de echte drama’s niet meer te worden belicht.

Op wereldniveau wordt hooguit 2 procent van het totale landbouwareaal gebruikt voor bio-energie. Dat kan onmogelijk de algemene prijshausse van nu verklaren. Daar komt bij dat bio-energie beslist niet een nieuw fenomeen is. In Brazilië bijvoorbeeld wordt al decennialang suikerriet geteeld voor de productie van ethanol dat verplicht wordt toegevoegd aan benzine. Meer in het algemeen gesproken: de landbouw levert al eeuwen lang zowel voedsel- als zogeheten non-foodproducten. Als we nu schande spreken van bio-energie dan zouden we achteraf ook de teelt van bijvoorbeeld katoen ernstig moeten veroordelen. Of nog erger: de teelt van voedergewassen voor trekvee. Dat is in grote delen van de wereld nog steeds een vorm waarmee de landbouw een belangrijk deel van de ‘energie’ produceert die ze zelf behoeft. Hetzelfde geldt voor honger. Daar wordt nu opeens schande van geroepen. De echte schande is natuurlijk dat de wereld tien jaar geleden al 850 miljoen hongerende mensen kende en dat, ondanks alle retoriek, dat aantal nog steeds op hetzelfde niveau ligt. Hypes worden niet gehinderd door enig geheugen.

Natuurlijk gaat er van het perspectief dat bio-energie belangrijk gaat worden een opwaartse druk uit op de prijs van de benodigde gewassen. Maar die opwaartse druk is slechts één van de vele factoren die meespelen. Minstens zo belangrijk zijn de sterk geslonken graanvoorraden. Die zijn op wereldniveau de afgelopen jaren voortdurend verder gezakt en bevinden zich thans op een onverantwoord dieptepunt. Relatief kleine verstoringen kunnen daardoor grote gevolgen hebben. Ook het gemis aan tweedegeneratietechnologieën (waarmee restproducten worden omgezet in bio-energie) speelt vooralsnog een grote rol. Daar kan de wereldwijde afbraak van landbouwpolitieke ‘buffers’ en nieuwe speculatiegolven aan worden toegevoegd. Ziedaar de ingrediënten van een explosieve situatie die zich vertaalt in een aantal zorgwekkende verschijnselen.

Gezien die complexe achtergrond is de identificatie van bio-energie als het zwarte schaap al te simplistisch. Maar nogmaals, het is wel comfortabel. Wie, zoals de Engelse premier Gordon Brown (en na hem nog vele anderen) de bio-energie duidt als het grote kwaad, die kan zwijgen over de effecten van de neo-liberale herordening van landbouwproductie en voedselmarkten – een herordening die juist in het Engeland van Thatcher, Blair en Brown een sterke drijfkracht had en die de wereld al eerder fraaie dingen als de gekkekoeienziekte opleverde. Het richten van de beschuldigende vinger naar bio-energie heeft nog een ander voordeel. Het zijn ánderen die er élders iets aan moeten doen (bijvoorbeeld Lula die in Brazilië het roer om zou moeten gooien). Europa treft kennelijk geen enkele blaam.

Tegenover degenen die alarm slaan staan de deskundigen die rituele bezweringen uitspreken. Het zijn de bezweringen die elke keer als er wat misgaat weer opduiken. Ze zijn ritueel: ze worden uitgesproken ongeacht de precieze aard van het probleem en dienen veelal een doel dat anders is dan wat wordt gezegd. In essentie komen de bezweringen erop neer dat er potentieel meer dan voldoende kan worden geproduceerd, als er maar voldoende geld komt voor landbouwkundig onderzoek. Of, het is een stijlbloempje dat in het Nederlandse debat naar voren kwam, als er maar genetisch gemodificeerde gewassen mogen worden geteeld. Dan komt alles weer goed.

Het is waar dat er gigantische mogelijkheden zijn om de landbouwproductie op wereldniveau (inclusief de teelt van bio-energie) verder op te voeren. Het drama is echter dat we voortdurend inzetten op drie factoren die elkaar tegenwerken. Wat aan de ene kant wordt opgebouwd, wordt aan de andere kant weer net zo hard tenietgedaan.

De drie factoren zijn het terugdringen van de ‘boerenlandbouw’, het in stand houden van de wereldmarkt en de opkomst van nieuwe voedselimperia. Als deze elementen serieus in de analyse worden betrokken dan blijkt dat het bepaald niet zomaar ‘goed komt’. Integendeel, het lijkt er op dat het alleen maar erger gaat worden.

Boerenlandbouw tegenover ondernemerslandbouw

Ten eerste de ‘boerenlandbouw’, helaas geen pleonasme, want naast de, zeg maar, klassieke landbouw die door boeren wordt bedreven, zijn allerlei nieuwe vormen van landbouwbeoefening ontstaan. ‘Ondernemerschap’ is daarbij meestal het sleutelwoord. ‘Ondernemerslandbouw’ is landbouw die sterk op de markt is georiënteerd en die wordt gekenmerkt door doorgaande expansie, vaak gefinancierd met leningen en mogelijk gemaakt door nieuwe technologieën. Zo ontstaan grote agrarische ondernemingen die indrukwekkend ogen.

Maar schijnt bedriegt. Grote ondernemingen vervangen vaak tien kleinere die samen meer opbrachten. Mexico biedt daarvan op dit moment dramatische voorbeelden. Grote extensieve veeondernemingen laten grote kuddes los, zonder er veel naar om te kijken. Ze nemen de plaats in van kleine boerenbedrijven, die, hoewel ze kleinschaliger waren en intensiever, wel relatief meer opbrachten. De productiewaarde per hectare grond daalt daarmee van zo’n 4000 pesos per hectare naar een schamele 500. Zo verarmt de streek.

Hetzelfde gebeurt in Equador met de aardappelproductie. In het kader van ‘vooruitgang’ maken klassieke en duurzame praktijken plaats voor nieuwe technologische pakketten, die minder productief zijn en bovendien veel meer bestrijdingsmiddelen behoeven.

Soortgelijke tendensen zijn gedocumenteerd voor Europa. Koeien gaan veel minder jaren mee dan vroeger. De efficiëntie van kunstmestgebruik is in de loop der jaren drastisch gedaald. Dit zijn allerlei vormen van contraproductiviteit die de vooruitgang, die ook wordt geboekt, vaak ten dele en soms zelfs helemaal teniet doen.

Daar komt nog een tweede punt bij. Juist omdat de ‘ondernemerslandbouw’ zo sterk op de markt georiënteerd is, zien we bij aanhoudend lage prijzen een opmerkelijk en geheel nieuw fenomeen: de grootschalige bedrijven stoppen ermee, iets wat in de boerenlandbouw, van oudsher en ondanks alle problemen de drager van voedselzekerheid, nooit voorkomt. Iedereen die door Zuid-Amerika, Afrika en of Azië heeft gereisd kent het verschijnsel van de lege kippen- of varkensstallen. Op deze manier wordt de stabiliteit van de voedselaanvoer van binnenuit ernstig bedreigd. Overigens doet dit verschijnsel zich ook in Europa voor; het is alleen minder zichtbaar. De stabiliteit van de boerenlandbouw, en daarmee de continuïteit van de voedselvoorziening is sinds het midden van de jaren 90 in snel tempo verslechterd.

Wereldhandel leidt tot ecologische wanorde

In het neoliberale voedselregime dat zich vanaf dan steeds meer afbakent, geldt de wereldmarkt als ordenend principe. Goedbeschouwd is dat merkwaardig in een wereld waarin, ook nu, hooguit een 15 procent van de totale wereldvoedselproductie daadwerkelijk een nationale grens passeert en daarmee deel van die veronderstelde wereldmarkt wordt. Het meeste voedsel wordt geconsumeerd niet ver van de plaats waar het is geproduceerd.

Met het neoliberale project (en de daarmee samenhangende ontmanteling van landbouwpolitieke stelsels) wordt evenwel gepoogd al die stromen, ook en vooral de lokale, te onderwerpen aan één en hetzelfde prijzenregime – en vooral: aan nieuwe machtscentra.

Tegelijkertijd ontstaan nieuwe circuits, die plaatsen van armoede verbinden met plaatsen van rijkdom. De asperges voor de Noordwest-Europese markt bijvoorbeeld worden in toenemende mate in de woestijnen langs de Peruaanse kust geproduceerd. Dat water daar schaars is doet er niet toe. Het schaarse water wordt, verpakt als asperge, geëxporteerd. Dat kan omdat land, en vooral arbeid er zo goedkoop zijn.

Een wereldmarkt en een wereldhandel die worden geordend met behulp van de neoliberale fictie kunnen niet anders dan ecologische wanorde, verspilling van energie en een permanente turbulentie opleveren. Turbulentie zoals we die nu meemaken en die allerlei onverwachte neveneffecten, als tijdelijke schaarste en abrupt stijgende prijzen, oplevert.

Al in de jaren ’50 van de vorige eeuw waarschuwde Polayni dat “het lot van land en mensen overlaten aan de markt, overeenkomt met de verwoesting ervan”. Dat is precies wat we nu zien.

Produceren om de voedselimperia te voeden

Met de opkomst van het neoliberalisme zijn nieuwe ‘voedselimperia’ ontstaan. Dat zijn wereldwijd opererende netwerken, die in toenemende mate de productie, verwerking, distributie en consumptie van voedsel controleren.

Door het functioneren van deze netwerken, die steeds meer een monopoloïde macht verwerven, is de afstand tussen de prijs die consumenten betalen en de prijs die boeren ontvangen, gigantisch en op vaak onbegrijpelijke wijze gegroeid.

In veel Europese landen is de voedselindustrie in de afgelopen 25 jaar qua toegevoegde waarde méér gegroeid dan in welke andere industriële sector dan ook. De voedselindustrie is zo aantrekkelijk dat zelfs chemieconcerns besluiten om hun activiteiten te verleggen.

Voedselimperia vertegenwoordigen een ontzaglijke macht (die in het neoliberale raamwerk beduidend is vergroot). Voor boeren zijn ze in toenemende mate een onvermijdelijk afzetkanaal, voor veel consumenten zijn ze noodzakelijk om toegang tot voedsel te verkrijgen.

Tot voor kort was de voedselvoorziening op veel plaatsen in de wereld een ‘publiek domein’ van eindeloos veel kleine producenten en een regulerende overheid. Dit publieke domein is in het afgelopen decennium razendsnel geprivatiseerd. De voedselvoorziening is nu een speelveld van nieuwe imperia die, als het nodig is, de markt met extra-economische macht naar hun hand kunnen zetten.

In het recente verleden zijn we getuige geweest van de ondergang van Parmalat en van de bijna-ondergang van de Ahold groep, twee belangrijke voedselimperia. Die episodes hebben niet alleen geleerd dat de nieuwe voedselreuzen soms voeten van leem hebben (waarmee ze bijdragen aan de fragiliteit van het systeem als geheel). Ze hebben ook duidelijk gemaakt dat het najagen van een hoge en snel groeiende cash flow de allesoverheersende maatstaf is.

Afgemeten aan deze nieuwe realiteit is een recent essay van Harriet Friedmann, een erkend deskundige op het gebied van internationale voedselregimes, tegelijkertijd correct en huiveringwekkend. De landbouw van deze wereld is niet meer in de allereerste plaats gericht op het voeden van de wereldbevolking, maar, zoals de titel van haar essay luidt, op “het voeden van imperia”.

Alternatieven

De marginalisatie van de boerenlandbouw, het neoliberale project en de opkomst van voedselimperia vormen de coördinaten van een wereld waarin schaarste en overdaad, honger en obesitas, concurrentie om schaarse hulpbronnen en een gelijktijdige verkwisting zich allemaal en tegelijkertijd voordoen.

Het wordt er inderdaad niet “beter” op. In beginsel had de mogelijkheid van bio-energie kunnen leiden tot een aantrekkelijk versterking van de landbouw. Ook en wellicht vooral in de Derde Wereld. Binnen de gegeven coördinaten verzwakt de landbouw juist.

Toch is het goed om te bedenken dat we de alternatieven vlak onder handbereik hebben. Die draaien, in essentie, om het stimuleren van boerenlandbouw, het voeren van een verstandig landbouwbeleid en, bovenal, een eerlijke en duurzame ordening van internationale handelsstromen.

Een verstandige aanpak is ook zeer wel mogelijk voor de vermaledijde bio-energie. Want behalve de ‘imperiale’ schema’s waarin de voortbrenging ervan nu wordt geperst, zijn er andere, veel aantrekkelijker en efficiënter oplossingen. Bijvoorbeeld een gedecentraliseerd en flexibel systeem dat steunt op meerledige energieopwekking op het boerenbedrijf of in groepen van samenwerkende boerenbedrijven. Benutting van afval en restproducten is daarbij de spil. Maar door de hype praat niemand meer over dergelijke, bij uitstek concrete alternatieven.

De wrange ironie is dat er bovenal wordt gewaarschuwd tegen ‘marktverstoring’. Derdewereldlanden die landbouwexporten beperken, of zoals Argentinië op dit moment doet, extra belasten, om voor de eigen bevolking de voedselvoorziening veilig te stellen zouden de markt ‘verstoren’. Zo ook zou het stimuleren van een gedecentraliseerde opwekking van bio-energie ‘marktverstorend’ zijn. Degenen die dit zeggen, bedoelen, dat de ‘markt’ er enkel is ten behoeve van de nieuwe imperia.

In juni verschijnt bij uitgeverij Earthscan in Londen een boek van de auteur van dit artikel over boerenlandbouw en voedselimperia.