Er is allang een oplossing voor kernsplijtingsafval

Met instemming las ik in het hoofdredactionele commentaar dat het ”omwille van energiezekerheid en -diversificatie [..] zaak lijkt dat het links-politieke taboe op kernenergie wordt doorbroken” (NRC Handelsblad, 3 mei). Toegevoegd had mogen worden: `en om de toekomstige elektriciteit betaalbaar te houden`, want kerncentrales hoeven geen kosten te maken voor beperking van CO2-emissie. Het futuristische plan `Zeekracht` van Stichting Natuur en Milieu kan ook op dit stuk slechts teleurstellen; het belooft weinig en te laat komende `waar` voor te veel geld.

Minder gelukkig ben ik met de toevoeging: ”Natuurlijk is er het probleem van het kernafval en de veiligheid”, al wordt dit onmiddellijk gevolgd door: ”maar technologische ontwikkelingen op dit punt staan niet stil [..].”

Deze twee problemen bestaan immers slechts tussen bepaalde, politiek invloedrijke oren. De werkelijkheid kent ze niet. Verdere `technische ontwikkelingen` zijn dan ook overbodig. De nieuwe kernreactor bijvoorbeeld, de Finse EPR, is zo ontworpen dat er `buiten de poort` onmogelijk kwade gevolgen van een eventuele kernsmelting - kans van eens per 700.000 jaar - kunnen optreden. En de strategie om kernsplijtingsafval voor alle tijden veilig te houden is allang bekend en wordt in Nederland reeds nauwgezet toegepast. Zo wordt het verglaasde opwerkingsafval voor 100 jaar verblijf opgeslagen in de HABOG bunker bij Vlissingen, waarbij radiotoxiciteit en warmteontwikkeling met 90 procent of meer afnemen. Zo `rijpt` het voor eindberging in een diep gelegen voorkomen van steenzout, Boomse klei of graniet. In het bijzonder zout en klei - in ons land beide ruim voorhanden - vormen door hun plasticiteit en geslotenheid uitmuntende `moedergesteenten`. In Boomse klei bijvoorbeeld kost 1 mm waterverplaatsing duizend jaar.

Na ca. tien eeuwen mág zo`n berging onklaar raken. Toch ontsnappende radioactieve stoffen kunnen dan nooit meer leiden tot extra straling van enig belang in de leefomgeving. Al jaren geleden is uit onderzoek gebleken dat deze toename gedurende miljoenen jaren hoogstens 0,1 procent van de natuurlijke achtergrondstraling kan bereiken.