Dit is geklets. En hoe!

Hedendaagse filosofen maken te weinig gebruik van technieken uit de wiskundige logica, betoogt Timothy Williamson in zijn nieuwe boek. Menno Lievers

De maand van de filosofie (April, the cruellest month) is al weer voorbij, maar de problemen blijven. De vraag is of we niet op een lijk dansen. Bestaat filosofie nog wel? De boeken die dit jaar genomineerd werden voor de Socrates-wisselbeker voor het beste Nederlandstalige filosofieboek van het jaar suggereren dat ‘filosofie’ inmiddels de aanduiding is van een apart slag non-fictie van min of meer beschouwende aard, en niet een harde, echte wetenschap.

De situatie is niet typisch Nederlands. Ook in het buitenland is filosofie geërodeerd tot speculatieve maatschappijkritiek en reflecties over woede en geluk. Taalfilosofie is opgegaan in de linguïstiek en de filosofie van de geest in de psychologie.

In zijn nieuwe boek The Philosophy of Philosophy betoogt Timothy Williamson wat er mis is in de filosofie en hoe het wel moet. Williamson werd in 2000 benoemd tot Wykeham hoogleraar in de logica aan de Universiteit van Oxford. Hij heeft toen direct zijn stempel gedrukt op de manier waarop filosofie in deze bakermat van de Engelse wijsbegeerte werd beoefend. Hij is een voorstander van de rücksichtsloze toepassing van de formele logica in de filosofie en eist dat ook van zijn studenten, promovendi en collega’s. Dit boek is een rechtvaardiging van deze zienswijze.

Volgens een gangbare opvatting heeft de filosofie in de twintigste eeuw een ‘linguistic turn’ doorgemaakt. Alle filosofische problemen waren talig. Een van de grote representanten van deze opvatting, Michael Dummett – een voorganger van Williamson – formuleerde dat zo: ‘het doel van filosofie is de analyse van de structuur van gedachte-inhouden; de bestudering van gedachte-inhouden moet scherp onderscheiden worden van de bestudering van het psychologische proces van het denken; en de enige correcte methode om gedachte-inhouden te analyseren bestaat in een analyse van taal.’

Aan het einde van de twintigste eeuw is die laatste stelling door veel filosofen opgegeven. Denken kon ook bestudeerd worden zonder te kijken naar de talige uitingen van dat denken. Filosofie diende vooral een analyse van begrippen en concepten te zijn. Het karakter van de Angelsaksische, analytische filosofie veranderde door deze verschuiving echter weinig.

droog

Williamson betoogt dat die ‘linguistic turn’ filosofie de verkeerde kant op heeft gestuurd, alsof zij zich alleen maar zou moeten bezighouden met taal en begrippen. Dat dit niet klopt, laat hij zien aan hand van de ogenschijnlijk eenvoudige vraag ‘Was Mars altijd droog of niet droog?’ Die vraag kan niet beantwoord worden door conceptuele analyse. ‘Droog’ is immers een vage term, waarvan het niet altijd duidelijk is of die van toepassing is of niet. Sommige filosofen leiden daar uit af dat de mooie, heldere tweewaardige logica volgens welke iedere bewering òf waar òf onwaar is, vervangen moet worden door een driewaardige logica, waarin beweringen niet alleen waar of onwaar kunnen zijn, maar ook onbepaald. Met behulp van zo’n logica zou je kunnen zeggen dat er een tijd is geweest waarop het onbepaald was of Mars droog was of niet. Anderen stellen een nog ingewikkeldere, ‘fuzzy’ logica voor.

Williamson moet van die oplossingen niets hebben. Hij meent dat er onkenbare waarheden zijn, zoals dat Mars op een bepaald, exact tijdstip droog is geworden. De pointe van zijn vraag is echter een andere. Nadenken over de vraag dwingt je na te denken over rivaliserende theorieën over vaagheid: is die vaagheid misschien een eigenschap van de werkelijkheid? Of ontstaat de vaagheid door de beperkingen van ons verstand? Zijn sommige woorden van onze taal niet scherp genoeg gedefinieerd? Filosofie is dus meer dan een taalkundige of conceptuele analyse, want die brengt ons in dit geval geen steek verder.

Voorvechters van die conceptuele opvatting beweren ook wel dat filosofische kennis zich laat uitdrukken in zogenaamde analytische waarheden: uitspraken waarin het predikaat niets aan het subjectbegrip toevoegt, zoals ‘Een schimmel is een wit paard’. Behoren dergelijke zinnen nu tot het strikte domein van de filosofie? Williamson meent van niet, aangezien analytische waarheden helemaal geen aparte status innemen. De zogenaamde analytische uitspraak ‘Een schimmel is een wit paard’ gaat net zo over de werkelijkheid als de niet-analytische, synthetische bewering ‘Een schimmel staat in de wei’.

Wat is dan wél het domein van de filosofie? Williamson meent dat gedachte-experimenten het laboratorium vormen van de filosofie. Ze leveren argumenten op voor of tegen bepaalde filosofische posities, net als de gedachte-experimenten van Galileo en Einstein in de natuurkunde. Maar een filosoof mag daarbij nooit zeggen dat gedachte-experimenten zijn intuïties bevestigen of weerleggen. Er wordt, volgens Williamson, veel te vaak een beroep gedaan op intuïties in de wijsbegeerte, alsof ze een soort van bewijs zouden vormen, maar dat zijn ze niet.

bestraffend

In een polemische appendix, ‘Must do better’, spreekt hij zijn collega-filosofen bestraffend toe. Ze hebben de afgelopen decennia de precisie die vereist is in een wetenschappelijke discipline die vooruitgang wil boeken verwaarloosd. Ze hebben veel te weinig gebruik gemaakt van de technieken die de wiskundige logica hun aanreikt.

Williamsons tegenstanders kunnen er op wijzen dat er hele gebieden in de filosofie zijn die zich niet zo gemakkelijk laten formaliseren, zoals ethiek en de filosofie van de geest; niet geheel toevallig gebieden waarop Williamson zich niet begeeft. Ook kunnen zij de kritische vraag stellen wat eigenlijk de status van dit boek is. Ofschoon hij op diverse plaatsen inderdaad zijn redeneringen formaliseert, is de kern van zijn betoog toch geformuleerd in plain English dat aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Williamson anticipeert op deze tegenwerping door op te merken: ‘Doe wat ik zeg, niet wat ik doe’. Dat overtuigt niet geheel. Toch is het goed dat zo’n eminent filosoof een keer gezegd heeft dat veel contemporaine filosofie geklets is. En hoe.

Timothy Williamson, The Philosophy of Philosophy. Blackwell Publishing. 352 pp. € 21,60.