‘De refo’s voelen zich bedreigd’

Volgens Fred van Lieburg, hoogleraar geschiedenis Nederlands protestantisme, voelen de orthodox gereformeerden zich achtergesteld bij de moslims en zijn ze bang voor de ‘seculiere jihad’. „Ze hebben diep geleden onder paars.”

Huibert Melissen, een godvruchtige boer uit Barneveld die leefde van 1898-1969, wilde niet graag worden gefotografeerd. „Mijn portret staat in Romeinen 3”, zei hij en daarmee verwees hij naar het bijbelhoofdstuk waarin de zondige mens wordt beschreven in al zijn leugenachtige slechtheid. Behalve boer was Melissen ook een lekenprediker die voorging in een schuurkerkje en tot in de wijde omtrek volgelingen had. Een van die volgelingen was zijn zwager Jan Siebelink (1906-1971), een Velpse bloemenkweker. De levensloop van deze Siebelink zou later zijn zoon inspireren tot de roman Knielen op een bed violen. Hierin wordt beschreven hoe Hans Sievez – zoals de hoofdpersoon in de roman heet – in de ban komt van een groepje zware calvinisten, hoe hij onder een appelboom op zijn kwekerij een visioen krijgt waarin God zich aan hem openbaart en hoe zijn gezin vervolgens geheel ontwricht raakt door zijn extreem beleden vroomheid.

Knielen op een bed violen kwam drie jaar geleden uit. Deze maand zijn er een half miljoen exemplaren van het boek verkocht en verscheen de 43-ste druk.

In het boek komt ook de Barneveldse lekenprediker Huibert Melissen voor – althans een op hem gebaseerde figuur die hier Huib Steffen heet. Wie de echte Huib Melissen was, de boer die al psalmenzingend zijn koeien molk, beschreef Fred van Lieburg in het dit voorjaar verschenen boek Het punt des tijds, De ware wereld achter Knielen op een bed violen.

Fred van Lieburg (40) is hoogleraar in de geschiedenis van het Nederlands protestantisme aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. In 2005 publiceerde hij samen met de historicus Joris van Eijnatten het standaardwerk Nederlandse Religiegeschiedenis, een overzicht van ons religieuze verleden vanaf de Germaanse godenverering tot aan de islam en het ietsisme. Vorig jaar verscheen onder zijn redactie een bundel ‘opstellen over de bevindelijke traditie’ onder de titel Refogeschiedenis in perspectief. Hierin wordt de recente geschiedenis geschetst van de orthodoxe, ‘bevindelijk’ gereformeerden in Nederland, of, zoals ze nu vaak genoemd worden: de ‘refo’s’, een groep die grofweg overeenkomt met de aanhang van de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP).

Fred van Lieburg groeide zelf op in zo’n streng calvinistisch gezin, maar tien jaar geleden besloten hij en zijn vrouw om van de Gereformeerde Gemeenten over te stappen naar de Hervormde kerk. „Wij vonden een wat breder protestants milieu voor onszelf en ons gezin aantrekkelijker”, verklaart hij.

Van Lieburg kwam op het idee om de ware geschiedenis achter Knielen op een bed violen te achterhalen toen hem gevraagd werd om als kenner van het calvinisme een lezing te houden over de religieuze achtergronden van Siebelinks roman. Hij zocht in Veluwse en Achterhoekse archieven, sprak met familieleden en probeerde het religieuze netwerk van de vader van Jan Siebelink in kaart te brengen. Het resultaat is een meeslepende rondgang door de versplinterde wereld van dolende, van de kerk afgescheiden, strenge christenen waarin vader Siebelink zijn heil zocht. Fred van Lieburg vertelt hoe de schrijver Siebelink hem enthousiast hielp bij zijn speurtocht naar de feiten achter de fictie en hem meenam naar de plaatsen waar de roman zich afspeelt.

Hij wil niets afdoen aan het verhaal van Siebelink: „Het is een roman”, benadrukt hij. Toch heeft hij in zijn boek enige kritiek op het taalgebruik in die roman. Van Lieburg: „Het is een boek over bevindelijk gereformeerden. De bevindelijken gaan ervan uit dat ook als je vroom en goed hebt geleefd je toch eerst bekeerd moet worden om in de hemel te komen. Zo’n bekering is een ingrijpende ervaring die lang niet iedereen ten deel valt: ‘Velen zullen verloren gaan, maar weinigen zijn verkoren’, is de gedachte. Siebelink probeerde het taalgebruik van deze mensen na te bootsen, hij nam er wat flarden van over, maar soms lees je dingen die een bevindelijke nooit in de mond zou nemen. Siebelink zegt: Ik schrijf fictie. Maar hij is dubbelzinnig: er is een literatuuropgave achterin zijn boek waarmee hij suggereert dat hij de werkelijkheid weergeeft. Die dubbelzinnigheid was voor mij de aanleiding om het historische verhaal te belichten. Ik wilde ook duidelijk maken dat het onjuist is om op basis van deze roman te denken: zo leven dus de strenge calvinisten, zo eng en zwart. De roman gaat over een ultra-orthodoxe, onvriendelijke variant. De refo’s zien het boek als een karikatuur van het bevindelijk protestantisme, het is in die kringen kritisch ontvangen. Dat begrijp ik wel.”

Van Lieburg verklaart het enorme succes van Knielen op een bed violen uit de toegenomen belangstelling voor religie. Weliswaar lopen de kerken leeg, maar nog nooit werd er zoveel over religie gedebatteerd als de laatste jaren.

Van Lieburg: „Bij fundamentalistische religieuze groeperingen denkt men meestal aan moslims. Maar Siebelink wijst op een andere radicaal godsdienstige groep die al eeuwenlang in onze samenleving verankerd is en trekken heeft die we geneigd zijn met moslims te associëren. In zijn roman gaat het ook over mannetjes die aanhangers ronselen en hun geloof op een agressieve manier uitdragen. Maar misschien dat er bij veel Nederlanders ook een herkenning is van de individualistische religie van de hoofdpersoon in de roman, die stilletjes, in zijn eentje, op zijn eigen kwekerij zit te geloven, die zonder kerk en zonder gemeenschap zichzelf durft te zijn.”

In het boek Refogeschiedenis in perspectief beschrijft Van Lieburg hoe de term ‘refo’s’ in de afgelopen decennia de gangbare aanduiding werd voor de bevindelijk gereformeerden, een groep van naar schatting tegen de 500.000 mensen, zo’n drie procent van de bevolking. De term ‘reformatorisch’ werd voor het eerst als etiket voor deze stroming gebruikt met de oprichting van het Reformatorisch Dagblad in 1971. Van Lieburg: „Daarna volgden reformatorische scholen en andere instellingen. In de jaren tachtig ontstond de afkorting ‘refo’, eerst lag dat een beetje in de scheldsfeer, later werd het een neutrale aanduiding en sinds een jaar of tien gebruikt men die term zelf. In het Reformatorisch Dagblad lees je nu steeds vaker over refojongeren, -scholen en -cafés.”

Hij legt uit hoe de SGP tot in de jaren zestig deel uitmaakte van een christelijke meerderheidscultuur en daarna met lede ogen moest aanzien hoe de grote ontkerkelijking begon, de secularisering van Nederland. Als reactie gingen de SGP-ers zichzelf organiseren in een eigen bevindelijk gereformeerde zuil. Behalve een eigen partij, een dagblad, scholen en verzorgingshuizen hebben de refo’s inmiddels ook hun eigen Reformatorische Omroep, zij het alleen nog via internet.

Van Lieburg: „De refo’s horen niet bij de Evangelische Omroep. De EO is ontstaan uit de evangelische beweging: groepen die als evangelische gemeenten apart georganiseerd zijn en vroeger door de kerken een beetje als sekten werden gezien. Maar hun manier van geloven, hun spiritualiteit en de manier waarop ze die uiten in hun boekjes en hun typisch evangelische opwekkingsliederen, heeft een enorme uitstraling en die is ook populair geworden binnen de kerken. De refo’s vinden dat de evangelische beweging een oppervlakkig geloof predikt: kies maar voor Jezus – dat is de refo te makkelijk. Want een mens kiest niet voor Jezus, God kiest voor jou en dat gaat niet vanzelf, daar komt een bewust geloofsproces aan te pas. De refo’s zijn dus officieel tegen de evangelischen en tegen de EO, ze vinden het een bedreiging voor wat zij zien als de enig juiste geloofsbeleving. Maar intussen ondergaan de reformatorische jongeren volop de invloed van de EO en de evangelische liederencultuur. De refo’s kunnen de invloed van de EO niet tegenhouden, de jaarlijkse EO-jongerendag wordt steeds meer door refojongeren bezocht. Dus het zijn geen volstrekt gescheiden werelden meer, er is een onderhuidse invloed die op kerkelijk niveau nog niet wordt erkend en volgens de echte theologische gezagsdragers bestreden moet worden.”

De refozuil in Nederland groeit nog altijd, langzaam maar gestaag. Buiten de biblebelt, de strook van Zeeland naar Staphorst in noordwest Overijssel, merkt de rest van de bevolking weinig van de refo’s. Als ze al in het nieuws komen, dan is het door de rigide standpunten van de SGP, bijvoorbeeld ten aanzien van homo’s. Of door de weigering om vrouwen in de partij tot bestuurlijke functies toe te laten. Of doordat in de biblebelt de bof uitbreekt, of een andere epidemie. Volgens Van Lieburg is het verzet tegen vaccinaties in refobolwerken als Barneveld, Opheusden, Rijssen, Nunspeet of Ermelo nog wel aanwezig, maar neemt het geleidelijk af.

Dit voorjaar kwamen de refo’s ook in het nieuws door de opvallend milde wijze waarop SGP-voorman Bas van der Vlies de film Fitna van Geert Wilders beoordeelde. Hij vond de film „een zorgvuldige en prikkelende inzet voor het debat”, zoals hij in de Tweede Kamer zei. In het christelijke Nederlands Dagblad uitte Van der Vlies zijn zorgen over ‘de islamisering van de samenleving’ en nam hij het op voor Wilders. Hij schreef dat de PVV het volste recht had om die zorg aan de orde te stellen. Het kwam hem te staan op een schrobbering van PvdA-leider Wouter Bos, die ‘stomverbaasd’ was over de opstelling van Van der Vlies.

Bij kwesties over moslims sluit de SGP zich vaker aan bij de PVV. Vorige maand dienden beide partijen in de Tweede Kamer moties in waarin de regering gevraagd werd het Nederlandse leger te laten stoppen met de bouw en het herstel van moskeeën in Uruzgan.

Hoe zit het precies met de verhouding tussen de refo’s en de moslims? Het blijkt een teer punt te zijn. Van Lieburg, anders een spraakwaterval, weegt zijn woorden zorgvuldig.

„De refo’s herkennen bij moslims dat religie een claim legt op heel je leven. Voor beide groepen is de godsdienst het ijkpunt in hun bestaan, ze hebben ook beide hun eigen gedragsvormen, eigen kleding en eigen scholen en ze verlangen dat de rest van de samenleving hen daarin respecteert. Dat is wat hen bindt. Alleen: voor refo’s is de islam een verkeerde religie en zelfs een valse religie. Dat maakt hen tegenover Wilders wat dubbelzinnig. Ze waarderen dat hij het gevaar van de islamisering benoemt, ze delen zijn angst, maar om andere redenen.

„De SGP is bang dat door de islamisering het historisch protestantse karakter van Nederland teloor gaat, maar Wilders bestrijdt de islam omdat hij de seculiere vrijheid wil beschermen. Voor de refo’s is Wilders een exponent van de ‘seculiere jihad’, zoals zij dat wel noemen. De reactie van Van der Vlies op Fitna toont de spagaatpositie van de SGP tegenover Wilders: aan de ene kant dezelfde zorg over de islamisering maar tegelijk een afkeer van de seculiere achtergrond van Wilders.”

Volgens Van Lieburg ontstaat nu ‘binnen de refokring een tweedeling’. „Er is een stroming die zegt: we moeten de islamisering tegengaan want de islam is een valse godsdienst en die hoort niet in deze van oorsprong christelijke natie thuis. Maar er is ook een groep die zegt: oké, religieus staan we tegenover elkaar, maar maatschappelijk hebben we in deze seculiere cultuur dezelfde belangen als de moslims. De SGP is bijvoorbeeld bang dat de seculieren uit angst voor de islam gaan morrelen aan de onderwijsvrijheid. Dat zou ertoe kunnen leiden dat niet alleen de moslims, maar ook de refo’s gedwongen worden hun eigen scholen op te geven. De refo’s vragen zich nu af: wat is gevaarlijker, de seculiere jihad of de moslimjihad? Ik denk dat ze uiteindelijk de seculiere jihad gevaarlijker vinden.

„De refo’s hebben in de jaren negentig diep geleden onder het seculiere fundamentalisme van paars. Met een zeker triomfalisme werd toen alles wat zij zien als de christelijke identiteit van Nederland afgebroken. Denk aan de wet gelijke behandeling, de euthanasiewetgeving, de invoering van het homohuwelijk. Nu is men bang dat de islamisering steeds meer kans maakt vanwege de leegheid van de seculiere cultuur. Die leegte dreigt te worden opgevuld door moslims omdat zij nog wel een visie hebben op de plaats van de religie in de samenleving. Zo zien de SGP-ers dat.

„Dat we het met elkaar moeten rooien en dat de moslims er bij horen, dat beseffen ze wel. Maar ze kunnen moeilijk verkroppen hoe de moslims door de regeringspartijen met fluwelen handschoenen worden aangepakt. Ja, dat vinden zij. Met afschuw constateren ze hoe zelfs de secularisten die christelijk Nederland hebben afgebroken nu in de bres springen voor de rechten van moslims. De refo’s zeggen: de moslims worden in de watten gelegd, maar wij als strenge christenen krijgen het steeds moeilijker. Met christenen wordt vaak gespot, de SGP-ers proberen daartegen te strijden, maar daar krijgen ze weinig steun voor. Toen Van der Vlies protesteerde tegen de afbeelding van Christus als een aangelijnde hond, was er nauwelijks respons.

„Dat de moslims zo omzichtig worden benaderd komt door de angst voor hun potentiële gewelddadigheid. De refo’s kennen die gewelddadigheid niet en ze zullen ook nooit oproepen tot haat. Het is een timide groep die zich veel laat aanleunen, dus als ze gekwetst zijn, dan zijn ze ook echt gekwetst, het zijn geen mensen met lange tenen. In die zin lijken ze niet op de moslims.”

Fred van Lieburg pauzeert. „Ik wil hier nog wat aan toevoegen”, zegt hij dan. „De refo’s storen zich eraan dat achter de neiging om moslims te beschermen een politieke ideologie schuilgaat: dat de politiek de religie wil sturen, in die zin dat men zegt: de gematigde islam keuren wij goed, die moeten we beschermen, alleen de radicale richting is slecht. Dat betekent dat de overheid uitmaakt welke religie deugt en welke niet. Daar zijn de SGP-ers altijd bang voor geweest en dat zien zij nu gebeuren. De refo’s voelen zich dan ook bedreigd in hun culturele vrijheid terwijl zij totaal geen gevaar vormen voor de Nederlandse samenleving. Sterker, met een zeker recht zeggen zij: wij hebben hier eeuwenlang gewoond, wij horen bij de traditie van dit land en wij hebben Nederland groot gemaakt. Ze worden nu bijvoorbeeld gedwongen om op hun refoscholen aandacht te besteden aan het recht op homoseksualiteit en ze staan onder druk om homoseksuele leraren te benoemen. Maar ze willen hun eigen, afwijzende standpunt daarover vasthouden en ook aan jongeren overdragen. Ze ergeren zich dus aan de bemoeizucht van de overheid en ze zijn bang dat ze uiteindelijk hun eigen opvattingen niet meer kunnen naleven.”

Na de tegenwerping dat refo’s zich toch net als moslims aan de Nederlandse wet moeten houden, ook wat betreft de rechten van vrouwen en homo’s, zegt Van Lieburg: „Ja, natuurlijk. Maar toch knelt er iets. De secularisten zeggen: godsdiensten zijn goed zolang ze voldoen aan onze maatstaven van gematigdheid. Maar mogen godsdiensten zelf bepalen wat gematigd is of niet? Anders krijg je een situatie waarin de overheid als het ware gaat voorschrijven hoe de Koran of de Bijbel gelezen moet worden. Ik zeg: die SGP-ers moeten de Bijbel kunnen lezen zoals zij dat willen. Wij hebben toch godsdienstvrijheid in Nederland? Inderdaad, hun standpunt over het praktiseren van homoseksualiteit en over vrouwen in politieke functies is strijdig met de wet. Maar zij aanvaarden die standpunten in vrijheid, zonder iemand te dwingen, want uiteindelijk kan elke burger de keuze maken om uit zo’n calvinistische gemeenschap te stappen.”

Dus hij vindt dat SGP-ers vrouwen mogen weigeren in de politiek en homo’s als leraar op hun scholen? Van Lieburg: „Als zij die Bijbel zo lezen, dan mogen ze dat van mij. Ik weet dat de refo’s intern nu een proces doormaken, er zit beweging in hoe zij de Bijbel interpreteren. Mijn idee is: laat dat proces zijn gang gaan. Oefen geen dwang uit van buitenaf, want dan drijf je hen in een isolement. Geef die groep de ruimte om naar hun eigen beginselen te leven. Dat geldt voor de refo’s, en ook voor de moslims. Net als christenen moeten die ook de kans krijgen hun eigen traditie als een ontwikkeling te zien. En naarmate ze meer integreren, zal de radicaliteit van hun geloof afnemen. Uiteindelijk passen zulke groepen zich aan bij de omstandigheden, daar heb ik een groot vertrouwen in, zowel bij moslims als bij refo’s. De echte refodiensten volgen nog het zeventiende eeuwse model, met preken van anderhalf uur en uitsluitend psalmgezang. Maar toch zit ook daar beweging in, kijk maar naar al die refojongeren die nu evangelisch worden. Ik denk dat het onvermijdelijk is dat de orthodoxe refo’s, net als de vroegere gereformeerden, zullen opschuiven naar een minder streng geloof.”

In Barneveld worden nu twee reformatorische megakerken gebouwd. In de laatste decennia zijn veel refo’s weggetrokken uit steden als Rotterdam en verhuisd naar gemeentes als Capelle en Krimpen aan de IJssel. Ook kwam er een stroom op gang naar de refodorpen in Gelderland en Overijssel. Volgens Van Lieburg betekent dit niet dat ze zelf het isolement zoeken. Ook ziet hij geen verband met het toegenomen aantal moslims in de grote steden. „Wel laat die trek uit de steden zien dat de refo’s zich meer en meer vervreemd voelden van de seculiere cultuur die vanaf de jaren zestig dominant is geworden. Dorpen als Barneveld zijn trekpleisters omdat daar familieleden wonen en de refo’s daar allerlei eigen voorzieningen hebben. Dus voelen ze zich daar thuis. Maar vergeet niet dat ook refo’s surfen op het internet. Het is een groep die weliswaar teruggetrokken is, maar die positief in de samenleving staat, hard werkt en zich inzet voor het openbaar bestuur.”