De Buñuels

In 1929 ging Louis Buñuel een paar dagen bij Salvador Dali in Figueras logeren. Buñuel vertelde dat hij kort tevoren een eigenaardige droom had gehad. Aan de binnenkant van zijn oogleden had hij eerst de volle maan gezien. Plotseling was er een smalle wolk verschenen die de maan had doorsneden. Daarna was het droombeeld overgegaan op een scheermes dat een oog kliefde. Dali keek er niet van op; hij had ook gedroomd, van een hand vol mieren. Hij toonde zijn hand. „Kijk, stampvol met mieren.” Buñuel was evenmin verbaasd, en ook niet toen Dali zei dat deze dromen samen een uitstekend gegeven voor een film zouden zijn. Buñuel moest even nadenken, zag toen het licht en meteen gingen ze aan het werk. Binnen een week hadden ze het scenario geschreven, voor Un chien Andalou, de beroemde film waarin een scene met zo’n oogoperatie voorkomt.

Dit verhaal staat in het boek Mijn laatste snik, de memoires van Buñuel zoals opgetekend door Jean-Claude Carrière. De oorspronkelijke titel is Mon dernier soupir. Misschien was ‘Mijn laatste zucht’ beter geweest, ook meer in overeenstemming met de toon en inhoud, maar zo is het nu eenmaal. En nu las ik in de slijpsteen van woensdag op pagina elf een mooi interview van Peter de Bruijn met Juan Luis Buñuel, de 73-jarige zoon van de cineast. In het eigentijds hyper-Nederlands moet je schrijven: de inmiddels 73-jarige enz. Iedereen die ouder is dan veertig, is inmiddels. Het woord is volgens de Grote Van Dale voor het eerste gebruikt in 1642, door P.C. Hooft, komt uit het Hoog-Duits, inmittels, wat betekent: in de tussentijd, terwijl er nog ongetelde andere dingen gebeuren. Ben je veertig of ouder dan heb je dat allemaal niet meer zo goed in de gaten, of je snapt er helemaal niets meer van. En dus ben je inmiddels. Dit woord is het allerbeleefdste synoniem van ouwe lul.

Tijdens de Spaanse burgeroorlog vond een hooggeplaatste vriend van vader Buñuel in een archief een registratiekaart waarop hij werd beschreven als ‘een verschrikkelijk verdorven figuur, een verachtelijke morfineverslaafde en vooral de maker van afgrijselijke films’. Het was de hoogste tijd om uit Spanje te vertrekken. Hij ging eerst naar Amerika, kon daar niet aarden en vestigde zich in Mexico.

Het duidelijkst wat Buñuel junior zich uit zijn jeugd daar herinnert is het schieten. „Mijn vader was dol op wapens. We stonden vaak heel vroeg op om naar de schietbaan te gaan. Vooraf dronken we dan geen koffie en rookten we niet, zodat we een vaste hand zouden hebben.” En dan schoten vader en zoon dat het een lieve lust was. Ik verschil met de heren van mening, ik denk juist dat een kop koffie de blik scherper maakt en de hand vaster. Een sigaret kan ook helpen. Misschien is het een kwestie van bijgeloof, en zeker bij bezigheden als schieten en autorijden heeft iedereen zijn eigen methoden. Het gaat erom, die zo zorgvuldig mogelijk te handhaven.

In Mon dernier soupir komt het schieten uitvoerig aan de orde. De kleine Luis ging nooit ongewapend de straat op, tot zijn moeder hem een keer fouilleerde en een revolver ontdekte. Het was het uit met de pret, tot hij groot was geworden. Toen werd er weer flink op los geknald zoals junior zich herinnert. Nadat vader was gestorven werd er niet meer geschoten, tot Juan Luis voor een documentaire weer eens een pistool in handen kreeg. „Ik had het al veertig jaar niet meer gedaan. Maar schieten is net zoiets als fietsen. Je verleert het nooit.”

Dit is een van de pleziertjes die Osama bin Laden ons heeft afgepakt. Ik hoor tot de jongens van een generatie die zich het leven zonder windbuks niet kon voorstellen. Mijn vriendjes en ik hebben nooit op levende doelen geschoten. Maar ik verzeker u, het is een genot een glas te raken en het in scherven uit elkaar te zien spatten. Later, in militaire dienst, heb ik met een bren en een punt 50 geschoten, een lichte en een zware mitrailleur. En toen, weer veel later, in 1982, las ik de herinneringen van Luis Buñuel. Ik ging naar de wapenwinkel aan de Herengracht vlakbij de Hartenstraat, kocht de zwaarste buks en werd dertig jaar jonger. Die buks is ook weer ergens achtergebleven en wapenwinkels zijn er niet meer.

De ‘discrete herinneringen’ zoals Luis zijn boek in de ondertitel nader preciseert zijn rijk aan praktische informatie. Zo legt hij het verschil tussen een café en een bar uit. Parijs, schrijft hij, is rijk aan cafés maar een bar die de naam verdient is er moeilijk te vinden. Net als in Amsterdam. Een café is een ruimte voor de gezelligheid, in een bar moet je alleen kunnen zijn, ongestoord, om te denken, te dromen, om je verbeelding de vrije loop te kunnen laten. Dat heeft junior ook van zijn vader geleerd. „De verbeelding is een spier die je elke dag moet trainen, zoals een sportman zijn geheugen traint.” Als je dat niet doet, loop je de kans, voortijdig een inmiddels te worden.