Daar gaat onze olieverslaving

Wijst de dure olie op een markt die ontwricht is, of is er een proces gaande dat onze economie kan veranderen? Wellicht komt er eindelijk een einde aan de olieverslaving.

Olie op het vuur gieten, zo heet dat. Arjun Murti, analist bij zakenbank Goldman Sachs, deed deze week bij beleggers dollartekens in de ogen blinken toen hij voor een vat olie de recordprijs van 150 tot 200 dollar voorspelde. „Zeer waarschijnlijk in de komende 6 tot 24 maanden", zo stelde hij.

Het is niet de eerste keer dat deze oliespecialist een boude voorspelling afgeeft voor grondstoffen. In 2005 gaf hij al aan – correct, zo bleek nadien – dat ruwe olie de drempel van 100 dollar zou overschrijden. Een vat noteerde toen nog maar 55 dollar.

Toeval of niet, het rapport verscheen destijds in de ochtend voordat de handel begon en zorgde ervoor dat een aantal termijncontracten flink de hoogte ingingen toen de beurs opende. En kijk, de afgelopen week brak de Brent-olie uit de Noordzee door het symbolische plafond van 120 dollar om gisteren zelfs even een piek van meer dan 124 dollar te halen.

Kwade tongen stellen dat Goldman Sachs te veel belangen in de branche heeft en daarom de prijs van olie de lucht in praat. De zakenbank beheert een van de meest actieve handelsplatformen voor energie op Wall Street en heeft een eigen grondstoffenindex die in belangrijke mate is toegespitst op ruwe olie.

Arjun Murti zelf zegt zich te baseren op de logica van de „superspike”: een meerjarig tijdschema waarin de olieprijs op extreme wijze stijgt om dan na verloop van tijd uit te monden in een ineenstorting van de markt.

Welke elementen vormen hiervan de basis? De zwakke dollar is een belangrijke factor. Maar ook de lage rente ten gevolge van de kredietcrisis en de enorme vraag uit opkomende economieën zoals India en China. Ook politieke en sociale strubbelingen in Nigeria, Iran en, wellicht het allerbelangrijkste, het beperkte aanbod van de olie-exporterende landen.

Is er ook speculatie? „Ik heb daar mijn bedenkingen bij”, zegt Boris Cukon, beheerder van het recentelijk opgerichte Fuchs Global Natural Resources Flexible Fund. „De index voor niet-genoteerde metalen zoals kobalt of ijzererts steeg op vijf jaar tijd met 591 procent. Genoteerde metalen zoals koper en zink stegen in dezelfde tijdspanne slechts met 246 procent. Dit bewijst dat speculatie fundamenteel van geen belang is.”

Anderen wijzen op de dynamiek van de oliemarkt zelf. De markt zou ontwricht zijn. De hoge prijzen zorgden niet voor een afname van de vraag en ook niet voor een sterke stijging van de productie. „Zonder een herstel van de olietoevoer uit Nigeria of een hogere output van de Saoediërs dreigt de reservebuffers onder de 2 procent te zakken”, schrijft ook Arjun Murti.

Feit is dat goedkope olie – die voor pakweg 5 dollar per vat wordt opgepompt – stilaan opgeraakt. Grote olievelden die zorgen voor 70 tot 80 procent van de oliebevoorrading worstelen met een wat in vaktermen decline rate wordt genoemd. „Een olieveld is als een spons”, aldus Geert Noels, econoom bij zakenbank Petercam. „Knijp je er het water uit, dan komt er eerst heel veel tevoorschijn en daarna bijna niets meer.”

Een voorheen erg rijk reservoir zoals dat van het Mexicaanse Cantarelli ziet nu zijn output met 10 procent per jaar dalen, dat is met een veel hogere snelheid en met veel grotere hoeveelheden dan voorheen ingeschat. Ook uitgesproken optimisten, die jarenlang ontkenden dat er iets aan de hand was met de aanbodkant, geven nu toe dat er een probleem is.

De kostprijs om olie uit niet-conventionele reserves (zoals teerzand, leisteen of de zeer diepe zee) te halen, is enorm. Een recente ‘megavondst’ zoals het olieveld voor de kust van Brazilië is zo'n voorbeeld. Het heeft een geschatte omvang van 33 miljard vaten. Omgerekend naar het huidige verbruik per dag – 85 miljoen vaten – zou dat genoeg olie zijn voor 400 dagen.

„Eigenlijk is dit een druppel op een hete plaat”, stelt Noels. „Er zijn twintig tot dertig van dergelijke vondsten per jaar nodig om aan de gestegen vraag te voldoen.” Die krapte aan de aanbodzijde verklaart voor een deel ook de nervositeit en volatiliteit in de markt. Er is een risicopremie in de prijs van olie verwerkt. En de minste verstoring van het aanbod lokt heftige prijsbewegingen uit.

„Er is geen gebrekkige marktwerking”, stelt Geert Noels. „In de praktijk is de markt wel gefragmenteerd.” In China zijn de energieprijzen gereguleerd en gesubsidieerd. De consumenten ondervinden er nauwelijks nadeel van dure olie. In Europa en Japan ligt dat anders. „Daar merk je wel degelijk een verandering in het gebruik van aardolie. Zo is er een opmerkelijke daling van het brandstofverbruik bij nieuwe wagens”, aldus Noels.

De huidige oliepiek komt – aangepast aan inflatie – overeen met het niveau van 102 dollar per vat dat in april 1980 werd bereikt, zo rekende het Internationaal Energie Agentschap uit. Naarmate de prijs verder stijgt, zo verwachten specialisten, zal de stimulans om te investeren in alternatieve energiebronnen ook verder toenemen. En als er al sprake zou zijn van enige speculatie, dan versnelt die volgens hen een proces dat toch op de lange termijn zijn beloop zou krijgen. Met als prettige bijwerking: het einde van onze olieverslaving.