Bidden en gillen

Een hels gegier

Rob Zweerman (1927)

‘In mijn jeugd heb ik talloze bombardementen meegemaakt, ook het bombardement van 14 mei 1940 op de binnenstad van Rotterdam. Ze waren alle angstaanjagend, maar er was een verschil. De aanval op Rotterdam was eenmalig, kort en hevig. Later in Duitsland vlogen de Geallieerden jarenlang vrijwel dagelijks met honderden gevechtstoestellen boven de steden en industriegebieden om er een verwoestend bommentapijt neer te leggen.

Aan het begin van de oorlog was ik twaalf jaar. Ons gezin woonde aan de Spoorsingel, vlakbij station Delftsche Poort, het huidige Centraal Station. Met het naderen van de veertiende mei voelde je dat er iets ergs in de lucht hing. Wij waren allemaal thuis, toen rond één uur het luchtalarm afging. Ik hoorde in de verte een zwaar geronk. Vader zei: „We moeten in veiligheid zien te komen.”

Onderin het huis was een kelder. Het was er donker, je zag vaag elkaars gezichten. Vader en moeder begonnen te bidden. Toen vielen de eerste bommen. Een hels gegier en enorme explosies. Het huis begon te schudden op de zompige ondergrond van Rotterdam. Elk moment kon ons huis instorten, maar dat gebeurde door een wonder niet.

Na ongeveer een kwartier hield het lawaai op. In de kelder was het ineens doodstil, een angstige stilte. Toen de sirenes het sein veilig gaven, mochten we naar buiten. Schreeuwende mensen liepen er rond, overal sirenes van brandweer en ambulances. Rookwolken vlakbij.

Op straat zag ik bizarre taferelen. Paarden liepen wild in het rond. Ze waren bevrijd uit de stallen van Van Gend & Loos. Nederlandse militairen hadden een schuilput uitgegraven en er takken overheen gelegd. Tijdens het bombardement waren ze naar de Spoorsingel gerend en in het water gesprongen. Nu liepen ze verdwaasd rond, met drijfnatte uniformen. De militairen waren doodmoe van slaap en spanning. Ik heb ze van slaap zomaar om zien vallen. Anderen zag ik hun geweren in de singel gooien. Voor mij een teken: de oorlog is voorbij.

Een dag na het bombardement kwam het Duitse leger de stad binnen. Ik moet zeggen: heel gedisciplineerd. In een groentewinkel op de Walenburgerweg stonden Duitse soldaten keurig in de rij te wachten tot ze aan de beurt waren. Dat was dus de vijand, die kon ook vriendelijk en beleefd zijn. Onverklaarbaar, want waren zij het niet die onze stad hadden gebombardeerd?

In het najaar van 1944 kregen we een brief. Alle mannen van zeventien tot veertig jaar moesten naar Duitsland voor de arbeidsinzet. Ik was net zeventien geworden. Kort daarna, op 11 november, haalden de Duitsers honderden jongens en mannen uit de huizen. Mijn vader zei dat er niets aan te doen viel en had mijn rugzak klaargezet. Mijn moeder gaf me de laatste boterhammen mee.

De volgende ochtend reden we opeengepakt in wagons Duitsland binnen. In Münster stonden we lang stil. Ik kon de stad zien, allemaal puinhopen. In de trein brak paniek uit, dit stond ons dus te wachten! We kwamen uit het gebombardeerde Rotterdam, maar het kon nog erger.

We reden in totaal zes dagen en zeven nachten vrijwel zonder eten en drinken naar Beieren, waar we werden ondergebracht in Zollhaus, bij Neurenberg. Er volgde tewerkstelling bij de Reichsbahn. Ik ben er tot de bevrijding in 1945 gebleven, met dertig, veertig man in een klaslokaal, zonder stromend water of elektriciteit. Maar dat was niet het ergste.

Die maanden waren een hel, de hel van Dante. Het was bitterkoud. Overdag werkte ik op de spoorbaan. Ik had nog het geluk elektromonteur te zijn, weliswaar gevaarlijk maar iets lichter dan het werk van kampgenoten. Voor het spoor had ik minder aandacht dan voor de lucht. Daar kwam ander gevaar vandaan. De luchtaanvallen door de Geallieerden namen vrijwel dagelijks toe. De Amerikanen vlogen overdag, de Engelsen ’s nachts. De Duitse spoorlijnen en emplacementen waren belangrijke doelwitten. De toestellen kwamen als zwermen vogels, soms met honderden of meer in formaties. We waren vrijwel onbeschermd, de bomvrije schuilkelders waren niet voor ons buitenlanders. Verschillende keren ben ik aan de dood ontsnapt.

Bij een aanval overdag kon je de vliegtuigen zien aankomen. Met raketten bakenden ze een gebied af waarbinnen de piloten hun bommen moesten laten vallen. Op een dag zat ik er middenin. Ik ben naar een watertoren gerend en heb de vernietigende bommenregen achter een granieten muur afgewacht. Eén van de bommen trof de toren, het water stroomde naar beneden. Ik vraag me nog steeds af hoe ik er levend uit ben gekomen. Buiten zag ik een ravage: kraters, verwrongen en uiteengescheurde wagons. Terug in het kamp misten we een aantal kameraden. Zij bleken omgekomen.

In Rotterdam had ik angst, daar heb ik doodsangst leren kennen.

Eén keer ben ik met een Russische jongen letterlijk onder de grond gekropen. Na de bommenregen was de aarde zwart, er waren vuren, gewonden kropen rond. Het waren de maanden dat Geallieerden de stad Neurenberg onder vuur namen. Op 2 januari was de hevigste aanval. In tweeënhalf uur werd de historische binnenstad weggevaagd.

De Duitse burgers werden zwaar getroffen. Ik kreeg niet direct sympathie, maar begon wel een onderscheid te maken. Je had ‘slechte’ en je had ‘goede’ Duitsers. De rotzakken bedreigden je met de dood. Maar ik ontmoette ook Duitsers die ons met gevaar voor eigen leven hielpen.

Na de bevrijding ben ik per schip naar Rotterdam teruggekeerd. Daar stond aan de Boompjes een jongenman met een koffertje en veel levenservaring. De oorlog liet ik daarna direct los. Ik was maar met één ding bezig: opbouwen, studeren, werken, toekomst. Pas op hogere leeftijd dacht ik aan de eindeloze bombardementen terug. In 2000 las ik een oproep van de stadsarchivaris van Neurenberg. Hij was op zoek naar voormalige dwangarbeiders. Een kleine groep bezocht op uitnodiging alle oorlogsplekken. Ook maakten we een wandeling door de Straat van de Mensenrechten, een zuilenrij als monument.

Op een forumavond is het gebeurd. Ik kreeg het woord en vroeg waarom ze in Neurenberg, behalve dat monument, niet enig teken hadden geplaatst dat aan de 110.000 mannen, vrouwen en kinderen herinnerde die van huis en haard waren weggesleept en gedwongen te werk waren gesteld. Die vraag veroorzaakte verwarring onder de autoriteiten. De gemeenteraad deed een toezegging.

Met de totstandkoming van een herinneringsteken heb ik me vijf jaar lang beziggehouden. Het monument, een schepping van de Duitser Hermann Pitz, is oktober vorig jaar onthuld. Het staat voor verzoening en de waardigheid van de mens. In de verschrikkingen zijn er altijd ‘goede’ mensen. Bij Neurenberg was altijd wel iemand die me hielp. Wanneer de waardigheid van mensen, ook die van de individuele mens, geschonden wordt dan leidt dat tot de verschrikkingen die we nu nog kennen. Die gedachte kwam steeds meer voorop te staan en verdrong zo de oorlog die nog in mij was.”

Redding van Erasmus

Wim van den Berg (1917)

‘Erasmus mocht niets overkomen. Hij moest dus van zijn plaats. Als hij bleef staan, bij de Laurenskerk, zou hij in handen van de Duitsers kunnen vallen.

Het beeld viel onder de gemeentelijke dienst Kunstbescherming, die de veiligheid van belangrijke objecten in Rotterdam moest waarborgen. Stadsbouwmeester Van der Steur had er de leiding. Hij had mij kort voor de oorlog als jongste tekenaar aangetrokken. Mijn vader was als uitvoerder bij de restauratie van de Laurenskerk betrokken. Ik mocht meehelpen. Toen rond het middaguur de bommen vielen, stond hij buiten. Hij overleefde het niet, ik wel. Ik was onder een stevige tafel in het kantoortje van de kerk gekropen, waardoor de vallende stenen me niet troffen.

Een paar dagen later ging ik al weer aan het werk. We moesten wel, ieders hulp was nodig. De dienst Kunstbescherming maakte zich zorgen om bepaalde objecten. Toen we Erasmus na het bombardement opzochten, stond hij zoals vertrouwd naar voren gebogen in zijn lange jas. Het boek lag nog in zijn handen. Bommen en vuur hadden hem niet getroffen. Hij stond onbeschadigd in het plantsoen, omringd door ruïnes. Alleen op de bladzijden van zijn boek lag een dikke laag stof.

Hij stond aan slechts één pin vastgenageld. We maakten hem los en met een man of zes wisten we hem van zijn sokkel te tillen. Met hulp van een driepoot hesen we hem in de takels. Daar hing Nederlands oudste bronzen beeld aan de kettingen. Ruggelings legden we hem in de laadbak van een vrachtwagen en reden onopvallend naar museum Boymans. Op de binnenplaats werd hij aan het zicht onttrokken door er betonplaten en zandzakken overheen te leggen. Daar heeft Erasmus onopvallend het einde van de oorlogsjaren afgewacht.

De elektrische trein

Frans Zwart (1931)

‘Voor mijn negende verjaardag had ik van mijn ouders een elektrische trein gekregen. Een zwarte Märklin locomotief met kolenwagentje, daarachter drie wagonnetjes, een rode en twee groene. Hij was veel mooier dan het andere treintje dat ik had. Dat locomotiefje moest je zelf opwinden, de nieuwe ging op stroom.

We woonden op de Gedempte Slaak. Het was een schitterend huis waar we met de hele familie konden wonen. Er was die eerste dagen al een flinke oorlogsdreiging. We hadden Duitse watervliegtuigen zien landen op de Maas. Vader zei dat de marinierskazerne doelwit kon worden. Het klonk onheilspellend, want we woonden er vlakbij. Zondagmorgen kreeg hij gelijk: bommen vernielden de marinierskazerne. Je kon het suizen van de bommen horen. Vader zei: ‘Wegwezen, we moeten hier weg.’ Zondagavond kwam een broer met een verhuiswagen voorrijden. We stapten met z’n allen in. Ik mocht mijn opwindlocomotiefje meenemen, de nieuwe elektrische Märklin moest ik achterlaten.

De verhuiswagen reed naar het Kralingse Bos, een afstandje van niks. Daar sliepen we die nacht in de verhuiswagen. De volgende morgen zag ik tientallen mensen om ons heen, die net als wij ook een veiligheid zochten. In het bos was geen enkele voorziening. Dinsdagmorgen besloten mijn ouders daarom om naar de Jaffa te gaan, waar we ons bij kennissen konden wassen. Tussen de middag klonk het luchtalarm. Onderaan de trap hoorden we de vliegtuigen overkomen en de bommen vallen. Iedereen zat te schreeuwen en te gillen, mijn moeder ook. Direct na het bombardement sprak vader: ‘We moeten terug naar het land.’ Bij de Kralingse Plas stroomde het vol met vluchtelingen. We stonden allemaal te kijken naar de vonkenregen en de gloed even verderop. Het was beangstigend, ik bleef maar kijken. Ik dacht aan ons huis, en aan mijn elektrische trein die daar nog moest liggen.

Vader ging nog diezelfde middag naar de Gedempte Slaak. Een paar uur later kwam hij terug met slecht nieuws: ‘Ons huis staat in brand.’ Mijn trein, dacht ik meteen, maar die gedachte verdween voor even toen mijn oom chocola uit zijn zak haalde. Bros chocolade, met luchtbelletjes. ‘Die hebben we onderweg uit een etalage gehaald. Iedereen liep te hamsteren en te stelen.’ Toen de chocola op was, kwamen de gedachten terug. Ik begon te huilen, zo hard als ik kon.

Na tien dagen besloot ik het erop te wagen. Met mijn broer Jan ben ik terug naar huis gelopen. Alles was er afgezet, vanwege instortingsgevaar. De hele Gedempte Slaak was veranderd in een puinhoop, her en der stonden nog muren overeind. Bewakers verboden ons het huis binnen te gaan, maar via de achterkant lukte het ons toch. Ik begon stenen weg te duwen, maar vond helemaal niets. Toen we bij mijn vader en moeder terugkwamen, liepen natte strepen roet over mijn wang. Ontroostbaar was ik, mijn moeder nam me in haar armen. Ze zei niets over onze gevaarlijke tocht.

In de dagen erna ben ik wel zes of zeven keer naar dezelfde plek teruggelopen. Telkens tevergeefs. Toen heb ik maar opgegeven. Die trein kwam nooit terug.

Mijn ouders gaven me bij de volgende verjaardag een nieuwe elektrische trein, compleet met een achtbaan waarop hij kon rijden. Het was goed bedoeld, maar echt blij was ik er niet mee. Die eerste elektrische trein is al die jaren in mijn hoofd blijven rondrijden, tot vandaag aan toe. Dat ding zal pas zal stoppen, als ik het vaantje strijk.”