Agressief de buik uit

Waarom is de ene mens agressiever dan de ander? Al in de baarmoeder wordt het latere gedrag van een kind beïnvloed.

De mens is een agressieve diersoort, net als de chimpansee. We hebben niet voor niets gemeenschappelijke voorouders. In de jaren 1960-80 was er een universeel geloof in de maakbaarheid van de mens. Geef iedereen een goede leefomgeving, en alle agressie en criminaliteit zou van de aardbodem verdwijnen. Iemand die dat idee nader wilde onderzoeken, zoals Wouter Buikhuisen, werd neergesabeld. Nu er weer nagedacht mag worden over de biologische achtergronden van ons gedrag, mag er ook weer gekeken worden naar de vraag waarom de ene persoon agressiever is dan de ander, en de ene eerder met justitie in aanraking kan komen dan de ander. Jongetjes zijn agressiever dan meisjes. Dat is al vastgelegd in de baarmoeder voor de rest van ons leven. De piek in het manlijke hormoon testosteron, die jongetjes zelf produceren halverwege de zwangerschap, maakt ze voor de rest van hun leven agressiever. Meisjes met een bijnierafwijking waardoor ze voor de geboorte veel testosteron produceren, zijn later ook agressiever. En medicijnen die op hormonen lijken, kunnen tijdens de zwangerschap het agressieniveau zowel bij jongetjes als bij meisjes verhogen.

Sommige kinderen zijn echter duidelijk agressiever dan anderen, en dat kan leiden tot een delict. 72 % van de jeugdige delinquenten zit in de gevangenis voor een agressief delict. Bij deze delinquenten worden er opvallend vaak psychiatrische stoornissen gevonden, bij mannelijke adolescenten die gevangen zaten zelfs in 90% van de gevallen. Behalve hun asociaal gedrag is er vaak sprake van misbruik van verslavende stoffen, psychosen en ADHD. Genetische factoren spelen hierbij een belangrijke rol, zoals blijkt uit tweelingstudies. Het gaat om kleine variaties in het DNA (polymorfismen) van genen die betrokken zijn bij de productie of afbraak van chemische boodschappers in de hersenen. Kleine variaties in het gen voor eiwitten die chemische boodschappers in de hersenen afbreken, kunnen leiden tot meer agressie, alcoholisme en agressieve zelfmoorden. Een verminderde activiteit van de chemische boodschapper serotonine gaat gepaard met meer agressie, impulsiviteit en antisociaal gedrag. Bij Chinese mannen is er een kleine variatie in een gen gevonden dat betrokken is bij de werking van serotonine, die gepaard gaat met extreem gewelddadige criminaliteit, een antisociale persoonlijkheidsstoornis en verslaving aan alcohol of andere middelen. Een andere variant van hetzelfde eiwit geeft meer kans op borderline persoonlijkheidsstoornis, waarbij ook veel impulsiviteit en agressie voorkomt. Onze genetische achtergrond kan dus in belangrijke mate bijdragen aan ons agressieve en criminele gedrag later. De stellige mededeling van de Intelligent Design-aanhanger Jitse van der Meer: „Directe genetische effecten op moreel gedrag zijn niet bekend”, kunnen we dus gevoeglijk naast ons neer leggen.

Ook de voeding in de baarmoeder beïnvloedt het agressieniveau later. Mannen die voor hun geboorte waren blootgesteld aan ernstige ondervoeding van hun moeder tijdens de hongerwinter van 1944-45 in Nederland hadden op het moment van hun militaire dienstkeuring 2,5 maal meer kans op een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ondervoeding in de baarmoeder komt in onze welvaartsmaatschappij nog steeds voor, maar dan door een slecht werkende placenta. Roken, alcohol en cannabisgebruik van de zwangere moeder geeft een hoger risico op impulsief gedrag en ADHD van het kind. In combinatie met de genetische achtergrond van het kind geeft het roken van de moeder tijdens de zwangerschap 9 maal meer kans op ADHD bij het kind. En ADHD gaat gepaard met meer agressiviteit en een grotere kans om met justitie in aanraking te komen.

Net zoals de mate van agressie al voor een belangrijk deel in de baarmoeder voor de rest van ons leven is vastgelegd, geldt dat ook voor vele andere van onze karaktertrekken. Dit is geen nieuw concept, het was alleen maar een tijdelijk taboe om er over te praten in onze maakbare maatschappij. Charles Darwin (1809-1882) schrijft al in zijn autobiografie: „Ik ben het geheel met Francis Galton (dat was zijn neef) eens dat opvoeding en omgeving slechts een geringe invloed op de mens uitoefenen, en dat de meeste van onze eigenschappen aangeboren zijn”. Dat brengt de mogelijke invloed van ouders en de vele goedwillende opvoedende instanties tot de juiste proporties terug.

Dick Swaab

Dick Swaab is hoogleraar in de neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is verbonden aan het Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen. Reacties en vragen kunt u sturen naar Zbrieven@nrc.nl