Van wie is die borst van poezelig albast?

Vondels biograaf presenteert hem als een maatschappelijk betrokken auteur. Een recensent en drie fans over de onbuigzame dichtervorst, die volop belaagd werd door eigentijdse ‘hatemail’.

Foto Vincent Mentzel Connie Palmen. foto voor sequentie. De Balie, Amsterdam, 3 april 2007. foto Maarten van Haaff Haaff, Maarten van

Piet Calis: Vondel. Het verhaal van zijn leven (1587-1679). Meulenhoff, 464 blz, € 35,–

Van de beroemdste Nederlandse tragedieschrijver, lof- en hekeldichter, vertaler, zijdehandelaar en boekhouder uit de 17de eeuw, Joost van den Vondel, is op dit moment welgeteld één titel bij de boekhandel verkrijgbaar: een dertien jaar oude editie van het treurspel Gijsbrecht van Aemstel. Zijn toneelstukken werden eeuwenlang, keer op keer gespeeld. Zijn gedichtenbundels kregen hoge oplages en herdruk na herdruk. Ze zijn al lang verheven tot de literaire canon en tot op het bot geanalyseerd door generaties neerlandici. Het werk is bijgezet, maar vrijwel niemand leest het nog. Zijn taal is niet meer de onze; zijn onderwerpen staan ver van ons af. We hebben het Vondelpark en daarin een ijzeren standbeeld uit 1867. Soms vinden we in een bloemlezing nog een gedicht.

‘Sic transit gloria etcetera’ zou de auteur op zijn oude dag, gezeten aan het venster van zijn woning aan het Singel te Amsterdam, hebben gemompeld. Het enthousiasme en de liefde voor zijn werk waarmee Piet Calis in zijn vandaag verschenen biografie heeft geschreven, zou hem zeker hebben opgebeurd.

In de bescheiden hausse van Nederlandse biografieën is de 17de eeuw niet onbedeeld gebleven. Over Rembrandt, Spinoza en Constantijn Huygens verschijnt een gestage stroom publicaties en daarnaast zijn in een kort tijdbestek ook de levens van zeehelden als Michiel de Ruyter, de arts Frederik Ruysch, de gebroeders De Witt en Hugo de Groot beschreven. Biografieën van Jan Pietersz Coen, Jan Swammerdam en Jacob Cats zijn in de maak. Het laatste boek over Vondel dateert van een halve eeuw geleden. Het is dus een goed idee om ook deze erflater weer eens op te poetsen.

Calis presenteert zijn held vooral als een maatschappelijk betrokken auteur en begint het boek dan ook met de kwestie-Palamedes. In het gelijknamige treurspel uit 1625 wordt de Griekse held Palamedes tijdens de Trojaanse Oorlog ten onrechte beschuldigd van verraad en vervolgens terechtgesteld. Dit was een duidelijke verwijzing naar het politieke proces tegen de executie van Johan van Oldenbarnevelt in 1619. De autoriteiten verboden de publicatie en schout en schepenen van de wereldboekenstad Amsterdam veroordeelden Vondel, toen al 38 jaar oud, tot een boete van 300 gulden. Dat verhinderde niet dat het stuk tijdens Vondels leven nog achttien maal werd herdrukt. Pas in 1663 vond de eerste opvoering plaats.

Ook later zou Vondel zijn politieke oordeel in zijn werk verpakken, opkomend voor gewetensvrijheid en waarschuwend tegen de macht van de stadhouders. Aanvaringen met de overheid bleven niet uit. Daarbij letten de gereformeerde predikanten er scherp op of de opvoeringen van stukken als de Gijsbrecht van Aemstel (1637/38) en Lucifer (1654) niet zouden uitlopen op ‘paapsche vertoningen’. Toen en ook later is Vondel een behoorlijke portie hatemail in de vorm van schotschriften ten deel gevallen. Hij werd niet alleen uitgescholden voor ‘paapsche hond’, maar zelfs met de dood bedreigd.

Vondels standvastige geëngageerdheid en zijn geloof lopen als rode draden door dit boek. Hij werd geboren in Keulen. Zijn doopsgezinde ouders waren vanuit Antwerpen daarheen gevlucht. Vader Vondel was een hoedenmaker die zich uiteindelijk in 1597 met zijn gezin in Amsterdam vestigde. Hij werd er koopman in zijde in de Warmoesstraat. Het gezin behoorde tot de Waterlanders, een gematigde richting binnen de doopsgezinde kerk. Vondel zou zelfs diaken worden, maar ging omstreeks 1641 over tot het katholieke geloof. Wat daar precies achter zat is moeilijk te reconstrueren. Calis wijst op de aantrekkingskracht van de tijdloze zekerheid die Rome hem in een labiele periode bracht. Hij ziet ook de rijke vormentaal van de liturgie waarvoor Vondel ondanks zijn sobere opvoeding uiterst gevoelig was. Katholieke vrienden zullen hem zeker hebben beïnvloed. Ook een dochter en een zoon werden katholiek. Dat katholicisme heeft in het gereformeerde Nederland zijn roem overigens niet in de weg gestaan.

Het oudste gedicht dat we van Vondel kennen dateert van 1604, een gelegenheidsvers bij het huwelijk van een buurmeisje. Kort daarna werd hij lid van de rederijkerskamer Het Wit Lavendel, waar in 1612 zijn eerste toneelstuk werd opgevoerd, Het Pascha. Hij omschreef dit werk zelf met de nieuwe term ‘tragiekomedie’ Hierop volgden meer treurspelen en gedichten. Zijn echte doorbraak vond plaats op 3 januari 1638 met de eerste opvoering van de Gijsbrecht in de nieuwe schouwburg van Amsterdam. Dit stuk was ook niet onomstreden. De kerkenraad bespeurde er katholieke trekken in en probeerde vergeefs de opvoering te verhinderen. Het stuk werd een daverend succes en bleef dat ook. Met andere stukken als Gebroeders, Jozef in Dothan en Jozef in Egypte bereikte Vondel binnen drie jaar wat zijn eerste biograaf Gerard Brandt later ‘den hoogsten top van de Hollandse Parnas’ zou noemen. In 1644 verscheen een bloemlezing van zijn poëzie en zes jaar later nog een verzamelbundel van 612 pagina’s genaamd Poëzy of Verscheide gedichte. Hij was nu de dichtervorst, de man die als geen ander plastisch en beeldend de Nederlandse taal wist te kneden in vaste versvormen.

Vondels leven is weinig gelukkig geweest. Calis zet de dichter neer als een stugge, man, teruggetrokken, tegendraads, onbuigzaam. ‘Geen uitgaanstype’ noemt hij hem. Hij was, aldus Gerard Brandt, ‘een groot zwijger’ die leed aan ‘melancholeusheid’. Of dat, zoals Calis doet, gelijkgesteld mag worden met depressie, is de vraag. Er nog van afgezien dat historische ziektebeelden vrijwel niet te reconstrueren zijn, ondersteunt Calis die laatste diagnose met wel erg belegen literatuur van onder anderen Freud.

Aanleidingen tot getreur waren er volop. In de familie kwamen veel vroege sterfgevallen voor. Hij had een moeilijke verhouding met zijn moeder, met een andere broer en diens vrouw en met zijn overgebleven zoon en dochter. Zoon Joost maakte van het leven niet veel, stortte de familie in de schulden en werd uiteindelijk op een schip naar Oost-Indië gezet. Hij stierf tijdens de reis.

Humor moet niet Vondels sterkste kant zijn geweest. Tijdgenoten staken daarmee al de draak. Toen de destijds beroemde en nog door Rembrandt getekende toneelspeler Willem Bartelsz Ruyter repeteerde voor de rol van bisschop Gozewijn, zette hij in plaats van een mijter een pispot op zijn hoofd. De dichtervorst kon dat niet waarderen.

Hoe productief en gelauwerd ook, van gedichten en treurspelen kon men in die tijd niet leven. Revenuen gingen naar drukkers, uitgevers en schouwburgexploitanten. Vondel moest zijn geld verdienen met de zijdehandel, en later als boekhouder van de Bank van Lening op de Oudezijds Voorburgwal. Dat laatste beroep heeft hij uitgeoefend vanaf 1658 tot hij tien jaar later zijn ontslag aanbood. Hij was toen al over de tachtig. Dat ontslag kreeg hij, en wel met behoud van salaris. Een genereus gebaar van de burgemeesters en een bewijs van hun respect.

Calis’ boek is opgehangen aan het werk van Vondel, zijn toneelstukken, zijn poëzie en zijn vertalingen uit het Latijn van onder anderen Vergilius. Hij voert de lezer op een leerzame wijze mee langs Vondels literaire ontwikkeling en beschrijft zijn zoektocht naar nieuwe vormen en een eigen, plastische taal. Het boek is als literatuurgeschiedenis meer geslaagd dan als biografie. Maar zelfs met het primaat van de literatuur boven het leven en de maatschappij waarin hij leefde had ik meer verwacht. Bijvoorbeeld over het literaire milieu, over Vondels positie in de Republiek der letteren, over kwesties als het mecenaat en uitgeverspraktijken. Calis schrijft over Vondels verhouding ten opzichte van P.C. Hooft en Hugo de Groot tot en met hun dood. Ook lezen we hoe Vondel in zijn verlangen naar erkenning de aandacht probeerde te trekken van de iets jongere, maar al vermaarde Constantijn Huygens, die zich beleefd afwerend opstelt en hem ten slotte wat zuinigjes enige lof toezwaait. Maar hoe dat contact met hem de daarop volgende vijftig jaar verlopen is komen we weer niet te weten. En hoe stond Vondel tegenover de beeldende kunst? Hij heeft ruim 200 gedichten op schilderijen geschreven, kende schilders persoonlijk en werd gehuldigd door het Lucasgilde. Over de relatie tot de vele schilders van wie hij dus werk kende, lezen we weinig.

Het boek is toegankelijk geschreven, maar Calis lijdt aan een te grote citeerlust. In zijn enthousiasme kan hij het niet laten om de haverklap Vondel aan te halen en vooral bij de toneelstukken dendert dat pagina’s lang door. Behalve door de vele Vondelcitaten wordt het ritme van het boek ook verstoord doordat Calis voortdurend specialisten citeertt die zich over de dichter hebben uitgelaten. Alsof hij zijn eigen oordeel niet vertrouwt. Dat had allemaal naar de voetnoten verbannen kunnen worden. Slechts een paar maal fleurt de tekst werkelijk op door het treffend citaat van een kenner. Maar dan is Frans Kellendonk aan het woord.

Voor dit boek heeft Calis geen nieuw archiefonderzoek gedaan en ook heeft hij niet altijd gebruik gemaakt van de meest actuele literatuur. Over twee van Vondels vrienden bijvoorbeeld, de Rotterdamse dichter en tegelbakker Joachim Oudaen en de Haagse dominee Joannes Vollenhove, en over de Amsterdamse schouwburg bestaan recente studies. Hij heeft zich sterk verlaten op de biografie van Gerard Brandt, die drie jaar na de dood van ‘den beroemden prins der Nederlandsche dichteren’, zoals het in diens titel heet, verscheen. Calis gebruikt Vondels werk niet alleen als illustratie, wat gezien de beeldende kracht soms heel goed werkt, maar ook als bron. En dat is voor een biograaf even verleidelijk als gevaarlijk. Wanneer Vondels zoon Joost voor de tweede maal trouwt, met de jonge weduwe Baertje Hooft, dan omschrijft Calis haar als een opvallende schoonheid met een blond kapsel, turkoois-blauwe ogen en een slanke hals. Hoe weet hij dat? Hij leidt dat af uit een gedicht van Vondel waarin hij haar zwanenhals en haar borst van poezelig albast bezingt. Juist een poëziekenner als Calis moet toch weten dat dit soort petrarkistische beschrijvingen stereotiepe idealiseringen waren.

Voor een interview met de Vondelbiograaf Piet Calis zie de kunstpagina van de krant van vandaag.