Twee druppels water: Pnin en ‘Ik’

Zoals ‘Hamlet’ niet over Shakespeare gaat, zo gaat ‘Pnin’ niet over Nabokov, al dachten de biografen van de Russisch-Amerikaanse schrijver daar anders over.

In alle romans van Vladimir Nabokov is de echte hoofdpersoon Vladimir Nabokov. Dat kun je van veel schrijvers zeggen die een direct herkenbare eigen stijl hebben. Maar in Nabokovs roman Pnin gebeurt dat op eigenaardige wijze. Pnin is een Rus, geboren in een welvarende Petersburgse familie. Hij ontvlucht Lenin en Hitler en probeert op Amerikaanse universiteiten zijn geld te verdienen. Pnin en Nabokov schelen maar één jaar.

De roman lijkt in de hij-vorm geschreven. Maar om de twintig bladzijden komt er een totaal onverwachte ‘ik’ zonder naam om de pagina-hoek kijken, die kennelijk de schrijver van het boek is. ‘Het verwarmde mijn hart’, ‘Ik was daar ook al eens geweest’, ‘Ik beken dat ik ook werd betoverd door…’ lees je zonder dat je snapt wie die ‘ik’ is, en waarom dat er staat.

Pas in het zevende en laatste hoofdstuk neemt Ik de pen openlijk ter hand en vertelt hij hoe hij in Sint-Petersburg, Parijs en Amerika zijn stadgenoot Pnin kende en niet aardig tegen hem was. Nu is Pnin een eigenaardig kereltje dat rare dingen zegt, doet en denkt. Maar nooit gemene dingen. Integendeel. Terwijl Humbert Humbert de moeder van Lolita trouwt om haar dochter in bed te krijgen, trouwt Pnin met een vrouw die hem belazert, maar wier zoon Pnins hart steelt, al duikt hij maar heel kort in zijn leven op.

Wat moeten we hiervan denken? Nabokov waarschuwde voorin het boek dat alles verzonnen is en dat elke gelijkenis toeval is. Dat is onwaar, want de man die in het laatste hoofdstuk openlijk de pen opneemt is duidelijk Nabokov.

Zijn biograaf Boyd schrijft dat Nabokov vond dat Don Quichot door de schrijver van Don Quichot belachelijk werd gemaakt, omdat hij zulke gekke dingen doet en zegt. Boyd denkt dat Nabokov Pnin schreef om te laten zien dat een man die rare dingen doet en zegt toch een buitengewoon goed mens kan zijn. Ik vind die ‘verklaring’ van Boyd onzin om de eenvoudige reden dat Quichot wel een sprookjesfiguur is, maar een zeer sympathieke, en dat de auteur hem absoluut niet beledigt. Het is waar dat Nabokov een reeks lezingen over Don Quichot hield, maar daar heeft Pnin niets mee te maken.

Wie een stuk over het boek Pnin schrijft, komt al gauw in de verleiding meer over Nabokov dan over Pnin te schrijven. Zo begon ik ook. Maar dat komt omdat de buitengewone charme, de intelligente ideeën, de beschaafde toon van Pnin eigenlijk alleen bewezen kunnen worden door de eerste zes hoofdstukken van het boek over te schrijven. Er gebeurt namelijk niet veel, maar je wordt toch verliefd op die gekke Rus met zijn gekke Engels. Voor Amerikaanse lezers van een halve eeuw geleden lijken mij de uitvoerige beschouwingen over de Russische taal en cultuur minder aanlokkelijk, maar de manier waarop die eruditie wordt vertoond blijft spannend.

In het laatste hoofdstuk is Pnin ontslagen en komt de ‘ik’ van het boek naar de universiteit om zijn baan over te nemen. Zijn vrienden maken zich vrolijk over die dwaze Pnin. Een man doet Pnin na, iedereen schatert. De ‘ik’ vertelt hoe hij Pnin, de zoon van zijn oogarts in Sint-Petersburg, als kind al tegenwerkte. Ook beweert hij dat de vrouw die in Parijs door Pnin ten huwelijk was gevraagd, bij ‘Ik’ was langsgekomen om hem de kans te bieden Pnin de weg af te snijden en haar zelf als echtgenote te nemen. ‘Ik’ beweert zelfs dat hij de brief met het aanzoek van Pnin toevallig bezit en hij drukt die brief in zijn geheel af.

Daarmee geeft Nabokov natuurlijk toe dat de hele geschiedenis verzonnen is en dat elke gelijkenis, in het bijzonder die tussen de ‘ik’ in het boek en de schrijver van het boek, gemaakt is. Dat Nabokovs biografen daar in vlogen, snap ik. Maar wie Pnin leest, begrijpt dat het onzin is. Hoe zou de ‘Ik’ precies kunnen weten wat Pnin dacht en deed in een Amerikaans stadje waar Pnin in de penarie zit, omdat hij een afspraak voor een lezing dreigt te missen? Pnin staart naar een knipseltje van een brief die hij in 1945 naar een krant had gestuurd – ‘met mijn hulp’ is wat ‘Ik’ daar achteraan schrijft. De lezer denkt: ‘Wie is die man die „met mijn hulp’’ beweert? Hoe weet hij wat Pnin daar doet?’

Nu maak ik dus dezelfde fout die iedereen zal maken die over het boek Pnin schrijft. Dat boek gaat niet over Nabokov. Hamlet gaat niet over Shakespeare. De verhouding tussen Pnin en ‘Ik’ doet mij denken aan de verhouding tussen Osewoudt en Dorbeck in Hermans’ roman De donkere kamer van Damocles. Osewoudt en Pnin lijken domme mannetjes die door de slimme Dorbeck en ‘Ik’ bestuurd worden en op het eind van de roman zielig eindigen, zonder dat Dorbeck of de Ik-figuur een poot uitsteken.

Er is maar één manier om werkelijk van het boek en van de persoon Pnin te houden. Dat kan alleen als je niet weet wie Nabokov was. Dus wanneer al zijn andere boeken verbrand zijn als schandalige perversiteiten. In die situatie zijn wij nog niet en daarom staat Pnin nog niet bekend als Het Mooiste Boek van de vergeten schrijver Nabokov.

Wilt u reageren? Dat kan via het artikel op de site nrc.nl/leesclub. Volgende week Marjoleine de Vos over hoe Nabokov onze verwachtingen bedriegt.

Dit is de tweede aflevering in de discussie over ‘Pnin’ van Vladimir Nabokov (vert. Else Hoog). Discussieer mee via nrc.nl/leesclub, waar ook eerdere en andere artikelen te vinden zijn.

PROGRAMMA 2007-2008:Het dorp Stepantsjikovo (F.M. Dostojevski, okt.) – Bouvard en Pécuchet (Gustave Flaubert, nov.) – Jacobs kamer (Virginia Woolf, dec.) – Een man wordt ouder (Italo Svevo, jan.) – Felix Krull (Thomas Mann, febr.) – Het genadeschot (Marguerite Yourcenar, maart) – Huwelijksverhalen (August Strindberg, apr.) – Pnin (Vladimir Nabokov, mei)