’t Komt door de o-o-ontroering

Zijn langverwachte biografie is er nog steeds niet, maar twee rijk geïllustreerde boeken tonen de ontwapenende Louis Paul Boon, de zelfbenoemde ‘viezenist’, ten voeten uit.

Boon geeft het startsein voor de ‘Velokoers Animal Farm’ (1976) (foto); Boon thuis (1975) en Boon voert het sprookje ‘Het ongehoorzame meisje’ op (1977) Uit ‘Album Louis Paul Boon’

Louis Paul Boon: Het erotische/ pornografische werk. Verzameld werk deel 16. De Arbeiderspers, 976 blz. € 35,–

Kris Humbeeck: Album Louis Paul Boon. Een leven in woord en beeld. Meulenhoff/Manteau, 382 blz. € 34,95

Het zal een jaar of tien geleden zijn dat De Arbeiderspers de spoedige verschijning aankondigde van Gelijk een vis zwemt, moet ik schrijven, de biografie van Louis Paul Boon door Kris Humbeeck. En af is die biografie nog altijd niet, zo geeft Humbeeck toe in het nu verschenen Album Louis Paul Boon. Hij heeft een kroniek van een ‘half miljoen woorden’ opgesteld over het leven van de legendarische bijna-Nobelprijswinnaar, die morgen 29 jaar geleden stierf achter zijn schrijftafel. Maar duizend pagina’s levensfeiten vormen nog geen biografie, weet ook Humbeeck. Een selectie van die tekst is onder de noemer ‘Kleine Boonkroniek’ nu opgenomen in Album Louis Paul Boon.

Het Album is een feitenverzameling met absurde trekjes, zoals de volgende zinnen over de zesjarige Boon: ‘Er gebeurt in deze oorlogsjaren nog wel meer dat de latere schrijver opzadelt met een extreem besef van kwetsbaarheid. Op 8 juni ziet Louiske Boon van dichtbij hoe een 16-jarige stadgenoot door een Duitse soldaat wordt doodgeschoten. Voorts aanschouwt hij, veel te jong en onvoorbereid, een menstruerend meisje. Mede door deze traumatische ervaringen zal hij, ondanks zijn uitermate beschermende moeder, als een angstig, nerveus en voor vele dingen bevreesd kind uit de Grote Oorlog komen.’ De manier waarop hier ongelijksoortige gebeurtenissen bijeen worden geveegd in een wel erg eenvoudige psychologie maakt duidelijk dat de biograaf, om het voorzichtig te zeggen, nog een lange weg te gaan heeft.

Toch is Album Louis Paul Boon een geweldig boek. Omdat het prachtig is uitgegeven, goed papier, zorgvuldige typografie en echt gebonden: Meulenhoff/Manteau kent in de Nederlandse en Vlaamse literaire wereld amper nog concurrentie waar het gaat om boekverzorging.

Door die liefdevolle verzorging komt ook het hoofdbestanddeel van het boek volledig tot zijn recht: het ‘Draaiboek van L.P.B.’, een ruim tweehonderd pagina’s tellend fotodocument. Enerzijds is dat een gewoon familiealbum, met mooi gereproduceerde bijschriften van Boon. Bij een niet zo vrolijke kinderfoto van zijn vrouw schrijft hij: ‘Jeanneke De Wolf is ondertussen elf jaar geworden. Als ze veertien is zal L.P.B. op haar verliefd worden.’ Een pagina verder volgt dan een kolossale groepsfoto van het muziekkorps der brandweer, waar vader Joseph Boon als trommelaar in speelde. Maar het mooist is de langzame ontwikkeling van de jonge Louis Paul Boon zelf, die je pagina voor pagina kunt volgen. Van de 16-jarige die zich, neplezend in een krant, als aanstaande artistiekeling laat vastleggen tot foto’s van soldaat Boon, de arm steevast kameraadschappelijk rustend op de schouder van Clement, de broer van zijn verloofde Jeanneke.

Als Boon in de loop der jaren beroemder wordt, vallen de foto’s in twee delen uiteen: de huiselijke kiekjes blijven, maar worden nu vooral afgewisseld met vaak theatrale opnamen uit het openbare leven. Boon evolueert langzaam tot de oudere ‘Boontje’ die zijn omgeving met grappen en grollen voor zich inneemt: op een podium met Dalí-snor, op een ander podium met een blote, jonge vrouw en als lachende, vermoeide man in zijn huiskamer met de Vlaamse socialisten Karel Van Miert en Marc Galle, die hem net hebben overgehaald lijstduwer te worden bij de Europese verkiezingen.

Die foto is genomen op 8 mei 1979, maar in de lange rij bijschriften die je dan al hebt gelezen, valt dat niet echt op. Dus krijg je toch een schok als je de bladzijde omslaat en daar ineens, groot, een close-up van het hoofd van de dode Boon ernaast ziet. Hij lijkt in één keer een stuk magerder en netter geworden. Juist door alle huiselijkheid in de voorgaande pagina’s overvalt je het idee dat je er werkelijk bij bent, haast dertig jaar na dato. Een maand later zou ‘L.P. Boon (overl.)’ nog 3.981 stemmen halen bij de Europese verkiezingen.

Is in Album Louis Paul Boon het beeld interessanter dan de tekst, in het nieuwe deel van het Verzameld werk – bezorgd door een redactie waar Kris Humbeeck óók deel van uitmaakt – is dat andersom. En dat ligt niet aan de hoeveelheid beeld. Het erotische/pornografische werk bevat een selectie van zo’n zeshonderd pagina’s uit de ‘fenomenale feminatheek’, de 22.000 plaatjes tellende verzameling afbeeldingen van vrouwen die de zelfbenoemde ‘viezenist’ Boon in de loop der jaren aanlegde.

Met ironische pseudo-wetenschappelijkheid heeft Boon zijn plaatjes in rubrieken ondergebracht, zoals ‘De puberteitsjaren’, ‘de kous’, ‘de broek van oma’ en ‘de kut’. De foto’s in die laatste categorie zijn trouwens dusdanig dat een meer omfloerste aanduiding potsierlijk zou zijn. Het gros van de afbeeldingen – verzameld in de jaren ’50, ’60 en ’70 – lijkt zo uit de Playboy geknipt.

Voor de echte porno moeten we bij de romans zijn. Het postuum gepubliceerde Eens op een mooie avond zit vol verwijzingen naar de markies De Sade, maar ook hier en daar naar – Boon blijft Boon – sociaal onrecht. Bij leven publiceerde Boon deze versie niet, maar wel een ‘fatsoenlijker’ herschrijving: Mieke Maaikes obscene jeugd (1972). En die miste haar uitwerking niet. Het boek bevestigde destijds Boons status als vijand van heel katholiek en conservatief Vlaanderen. De ondertitel was een nieuwe knipoog naar de wetenschap: ‘Een pornografisch verhaal, voorafgegaan door een proefschrift in en om het kutodelisch verschijnsel, waarmee student Steivekleut promoveerde’. Steivekleut, kutodelisch, je moet ervan houden. Maar de vrolijkheid van Boon is ontwapenend.

Meer dan porno is Mieke Maaike een parodie op porno, zo legt de redactie van het Verzameld werk in een uitgebreide verantwoording uit. Maar omdat porno vaak al veel weg heeft van een parodie op zichzelf, is dat misschien niet zo’n belangrijk verschil. Al werken passages als de volgende inderdaad eerder op de lachspieren dan op iets anders. ‘Hij wou ook nog weten hoe oud ik was [...] B-b-bijna tien, kreeg ik er tenslotte uit. Hij wou hierop ook nog weten of ik st-stotterde, maar ik zei: N-nee, ’t komt door de diepe o-o-ontroering. Hij streelde me, en zei dat ik nog veel te jong was om de paus in me grotje van Lourdes te ontvangen.’

Je hoort de schrijver bij wijze van spreken grinniken achter zijn schrijftafel – tot de laatste snik.