Subversief is de Chinese kunst maar heel eventjes geweest

Westerse kunstgeschiedenisboeken laten het tijdperk van de moderne kunst meestal beginnen in 1863, het jaar dat Edouard Manet zijn Déjeuner sur l’herbe schilderde. Maar in China begon de moderne kunst pas ruim een eeuw later, met de dood van Mao Zedong in 1976. Kunstacademies gingen weer open en na decennia van verplicht sociaal realisme konden Chinese kunstenaars eindelijk hun eigen onderwerpen kiezen.

Hoe de Chinese avant-garde zich sinds 1976 heeft ontwikkeld is mooi te zien op drie tentoonstellingen die het Groninger Museum presenteert onder de noemer Go China! Het eerste deel, Tekens aan de wand, toont hoe Chinese kunstenaars in tien jaar tijd met zevenmijlslaarzen door de westerse kunstgeschiedenis zijn gedenderd. Luo Zhongli en Chen Yanning hadden in de vroege jaren tachtig oog voor het leven van arme boeren en vissers, zoals Courbet en Millet dat een eeuw daarvoor ook hadden. En Gu Wenda schilderde in 1984 zijn surrealistische doek History of Civilization, inclusief aan Dalí ontleende motieven als een naar voren hellend kruis en rood gestifte lippen.

Een eigen gezicht kreeg de hedendaagse Chinese kunst pas na de studentendemonstraties van 4 juni 1989, toen Fang Lijun begon met het schilderen van zijn karakteristieke kale mannen. Tien jaar geleden waren ze al te zien in het Stedelijk Museum, maar in Groningen maken de roze gezichten opnieuw diepe indruk. Het is niet duidelijk of ze nu schreeuwen of gapen, maar zeker is dat deze figuren behoorlijk gefrustreerd zijn.

Inmiddels is het ‘cynisch realisme’ van Fang Lijun en consorten een ongekend kassucces gebleken. De kunstmarkt is dol op alles wat uit China komt en wil daar graag miljoenen voor neerleggen. Leuk voor de kunstenaars, maar slecht voor de kunst. Want op de tweede tentoonstelling in Groningen, getiteld New World Order, wordt pijnlijk duidelijk hoe behaagziek de hedendaagse Chinese kunst geworden is. Aan de wanden hangen decoratieve foto’s van swingende wolkenkrabbers, op de vloeren staan spierwitte planten van eendendons. Spektakel is er in de vorm van een reusachtige hondendrol, een tien keer uitvergroot menselijk onderbeen en een zaalvullende stad die compleet uit roestvrij stalen keukengerei is opgebouwd. Het is kunst die gemaakt is om te ‘pleasen’: technisch knap en indrukwekkend van formaat, maar ook plat en betekenisloos.

Subversief is de Chinese kunst maar heel eventjes geweest. In de jaren negentig stortte een groep Chinese kunstenaars zich op performances die zelfs het doorgewinterde westerse publiek te ver gingen: het amputeren van de eigen vingers bijvoorbeeld. Maar op dit moment wordt de meeste Chinese kunst gekenmerkt door braafheid. Traditionele Chinese technieken worden in ere hersteld, porselein is opeens weer een populair materiaal, inclusief de bijbehorende klassieke motieven als vogels en planten.

Op de bovenste verdieping van het Groninger Museum mag kunstenaar en architect Ai Weiwei uitpakken met een solopresentatie van keramisch werk. Ook hier draait het vooral om schoonheid. Bezoekers dwalen er tussen perfect glanzende watermeloenen en manshoge vazen. Op de vloer ligt een mooi patroon van gitzwarte druppels. Een beetje gelikt, is je eerste reactie. Maar dan valt je oog op de titel: Oil Spills. En besef je dat Ai Weiwei, hoe mild ook, toch een maatschappijkritische boodschap heeft.