Sport en politiek

Sport en politiek moet je vooral gescheiden houden, zeggen sommige politici, maar zeker vele sportbestuurders en sporters. Maar dat wordt moeilijker naarmate het land waar internationale topsport wordt bedreven, meer omstreden is of omstreden raakt. Het wereldkampioenschap voetbal in 1978, in het Argentinië van het schrikbewind van de junta-Videla, en de Olympische Spelen van 1936 in nazi-Duitsland (Berlijn) zijn bekende voorbeelden van zulke omstredenheid. Al moet daarbij worden aangetekend dat het doorgaan van die evenementen nooit twijfelachtig werd. Ja, over Berlijn 1936 moet zelfs van omstredenheid achteraf worden gesproken. In Berlijn bracht het Engelse voetbalteam zelfs collectief de Hitlergroet voor de toenmalige Führer und Reichskanzler. In het neutrale Nederland was tegen de spelen in Berlijn trouwens ook geen bezwaar van betekenis gemaakt, een enkele uitzondering daargelaten. Dat de eerste Duitse concentratiekampen, in Dachau bijvoorbeeld, toen al bestonden, deed daaraan niet af.

In het voortraject van de Olympische Spelen in China blijkt de verontwaardiging over het mensenrechtenbeleid in China en de Chinese politiek jegens Tibet in grote delen van de Westerse wereld de afgelopen maanden zó gegroeid dat achteraf de aanwijzing van China door het Internationaal Olympisch Comité (IOC) – met de min of meer stilzwijgende instemming van alle regeringen – door velen wordt betreurd.

Het gaat natuurlijk om een achterhoedegevecht, de keus van de nieuwe economische reus China valt niet meer ongedaan te maken. Toch is het debat over de vraag of Nederlandse atleten straks niet op de een of andere manier van hun kritiek kunnen laten blijken – en of Nederlandse politici niet beter weg kunnen blijven bij de opening van de Spelen, of van de Spelen zelf – in snel tempo heviger geworden.

De Belg Rogge, die voorzitter van het IOC is, zei tot voor kort nog slechts: Regels zijn regels, sporters mogen op de Spelen niet aan politiek doen („Wij zijn niet de Verenigde Naties”), daarvoor zijn de politici, en dat is het dan.

In zijn voetspoor zei mevrouw Erica Terpstra, voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité (NOC), een paar weken geleden in een debat met de cabaretier Eric van Muiswinkel in het tv-programma Pauw & Witteman, hetzelfde.

Maar intussen heeft IOC-baas Rogge onder druk van de internationale emoties zijn standpunt genuanceerd en wil het IOC toch enige kritische invloed uitoefenen op de Chinese gastheren. De druk van de Europese olympische partners heeft gewerkt, zei mevrouw Terpstra op haar beurt vervolgens.

Premier Balkenende had al veel eerder toegezegd de openingsceremonie te zullen bijwonen, hij telt immiddels zijn politieke knopen. Of misschien telt hij, naar goed calvinistisch gebruik, zowel de knopen van de dominee als de knopen van de mammon. Dat deed men trouwens al bij de VOC, die hij zo bewondert, en daar won meestal de mammon.

Kortom: wat Nederland betreft zullen de sport en de politiek tijdens de komende Spelen hun traditionele afstand bewaren, al zal niet iedereen daar blij mee zijn.

Er zit nog een andere kant aan de zaak. Namelijk dat de kroonprins al jaren lid is van het IOC-bestuur, waarvan hij de standpunten dus deelt, zolang hijzelf zwijgt. Wat wil zeggen dat de kritiek op het houden van de Spelen in China zich (indirect) ook op hem richt. En dat kán niet in ons politieke en grondwettelijke bestel, waarin leden van het Koninklijk Huis onschendbaar zijn en de ministers, doorgaans de premier, politieke verantwoordelijkheid dragen voor alles wat zijn doen en nalaten.

Nu zal het, als er geen gekke dingen gebeuren, straks wel aflopen met een staatsrechtelijke sisser. Dit temeer omdat een groot deel van het electoraat het waarschijnlijk hartelijk eens is met Willem-Alexanders plaats in het IOC-bestuur, misschien zelfs ongeacht de vraag wat hij daarin al of niet doet.

Dat laatste deed de Tweede Kamer uiteraard ook, zodat van die kant geen actie, bij voorbeeld een verzoek om een openbaar debat, te verwachten is. Maar wellicht is het toch verstandig indien de premier en zijn raadgevers nog eens praten over de risico’s die aan zulke „nevenfuncties” van de leden van het Koninklijk Huis kunnen vastzitten.

Dan kunnen zij het ook even hebben over zulke functies van een ander lid van dat Huis, namelijk Pieter van Vollenhoven. Die kritiseerde in de vorige kabinetsperiode als voorzitter van de Raad voor de Veiligheid, op een persconferentie naar aanleiding van een rapport over de Schipholbrand, het beleid van ministers die – omgekeerde wereld – nota bene voor zijn doen en laten verantwoordelijkheid dragen. Vorige maand kwam hij namens die raad met een kritisch rapport over problemen in 2004 op de thoraxafdeling van het Radboudziekenhuis in Nijmegen en haalde ook de krant als voorzitter van het Nationaal Restauratiefonds door het gerestaureerde fort Pampus te openen. In dezelfde week bood hij zichzelf op de tv ook nog aan voor het voorzitterschap van een commissie die een betere wettelijke regeling voor de opvang van zogeheten klokkenluiders zou kunnen voorbereiden. Wordt dat niet wat veel en is zo’n thema politiek niet wat te zwaar geladen voor een lid van het Koninklijk Huis, denk je dan. Nee, dat moet men heer Van Vollenhoven liever niet vragen, denk je dan ook.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/bik (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)