Rust voor Vlaamse scholen

De discussie over het Nederlandse onderwijs wordt ook in Vlaanderen gevolgd.

De Vlaamse overheid heeft beloofd de scholen met rust te laten.

Jo Hertogs was vooruitstrevend toen hij in 1976 als leraar Nederlands en Engels begon op het Sint-Jan Berchmanscollege in Brussel. Hij nam wel eens een cassetterecorder mee naar de klas om een native speaker te laten horen. Of een platenspeler, om een liedje te draaien.

„Behoorlijk revolutionair”, zegt Hertogs. „Ik kreeg wel wat kritiek van de oudere collega’s. Als ze me met een recorder zagen lopen zeiden ze: ‘Ah, u gaat lesgeven?’ Dat was dan ironisch bedoeld.”

Als er één land is waar de Nederlandse onderwijsdiscussie is opgemerkt, dan is het natuurlijk België – of preciezer: Vlaanderen. „Ik probeer te volgen wat er in Nederland gebeurt”, zegt directeur Willy Peeters. „Als het bij jullie regent, dan druppelt het bij ons.”

In Nederland klagen schooldirecteuren over de vele papieren die ze van het ministerie krijgen. Herkent Peeters dat? Natuurlijk krijgt hij ook aanwijzingen, zegt hij. De classicus loopt naar zijn bureau en komt terug met drie A4’tjes. Een samenvatting met nieuwigheden. „De meeste dingen zijn op ons niet van toepassing”, zegt Peeters, terwijl hij de punten doorloopt. Ook de Vlaamse onderwijsminister heeft rust beloofd. Vlamingen en Franstaligen zijn zelf verantwoordelijk voor hun onderwijs.

Wat is er in dertig jaar veranderd aan de manier van lesgeven?

Hertogs: „Vanaf het begin heb ik geprobeerd kennis over te dragen. De leraar staat in de klas toch centraal. En ik denk dat dat op veel Vlaamse scholen zo is.”

Hoeveel tijd besteedt u bijvoorbeeld aan literatuur?

„Neem maar rustig de helft van de lessen. Ik hoor ook veel jongere leerkrachten zeggen: daarvoor heb ik deze studie gedaan. De literatuurlessen zijn bij mij trouwens wel meer geëvolueerd naar algemene cultuurlessen.”

Omdat u bang bent dat ze die kennis anders niet meer krijgen?

„Ja, zeker. Ze gaan het niet lezen in de krant en ook niet lezen op internet. Je moet het ze aanbieden.”

In Vlaanderen is er geen centraal schriftelijk examen, zoals in Nederland. Scholen maken zelf hun examens. Om al te grote niveauverschillen tussen scholen te voorkomen, zijn er wel ‘leerprogramma’s’ opgesteld door het ministerie. Ook is er een inspectiedienst die scholen af en toe ‘doorlicht’.

Wandelend door de school wijst Jo Hertogs naar een scheikundelokaal. Het Sint-Jan Berchmanscollege is gehuisvest in een prachtig oud schoolgebouw met veel hout, glas en hoge plafonds. Het scheikundelokaal heeft een klassieke opstelling: de banken staan in rechte rijen die een soort tribune vormen, zodat alle leerlingen goed zicht hebben op de docent.

Zo’n lokaal zien de inspecteurs niet graag meer, zegt Hertogs. Ernaast zijn de ruimtes vernieuwd: alle tafels hebben kranen, zodat leerlingen zelf proeven kunnen doen. Maar in de lokalen waar we langs lopen, zitten de leerlingen vandaag gewoon te luisteren naar de docent die voorin de klas staat. Hertogs: „Je ziet dat er toch geregeld op een vrij klassieke manier les wordt gegeven in die nieuwe lokalen.”

Voelt u zich helemaal vrij om zelf te bepalen hoe u les geeft?

„Ik houd natuurlijk rekening met de eindtermen. En die zijn de afgelopen jaren ook bij ons veranderd. Het ‘kunnen’ is belangrijker geworden. Twee jaar geleden hadden we een doorlichting en toen vroeg die dame: ‘Doet u ook sollicitatiegesprekken?’ Ik zei: ‘Neen.’ En ik dacht, maar heb dat niet uitgesproken: Hoe doe je dat met vierentwintig leerlingen?”

Bent u daardoor anders gaan examineren?

„Het gaat minder om pure kennis, en meer om bewijzen dat je kunt toepassen wat je hebt geleerd. Vroeger zou ik misschien gevraagd hebben: ‘wat waren de principes van de Tachtigers?’ Of: ‘Waarom noemden de Tachtigers zich de revolutionairen in de literatuur?’ Dat had je behandeld in de klas en wie het wilde studeren, studeerde het. Nu zeg ik bijvoorbeeld: ‘U bent een literair recensent voor een krant anno 1885, overtuig uw lezers in een enthousiast en vlot geschreven artikel dat er iets nieuws op komst is.’ Ik vind dat wel een verbetering. Leerlingen moeten leren formuleren. En ze moeten bewijzen dat ze de leerstof hebben begrepen.”

Op de website van uw school wordt gesproken over ‘tucht en orde’. Is dit een strenge school?

„Er zijn regels, zodat alles vlot verloopt. In de refter kun je een gesprek voeren zonder overdonderd te worden door lawaai. Leerlingen weten dat er niet geroepen wordt. En ze weten: je gaat niet zo maar recht staan als je klaar bent, maar je wacht op een teken om naar de speelplaats te gaan. Alle Vlaamse scholen hebben dat soort regels. We hebben een open relatie met leerlingen, maar ze spreken ons aan met ‘meneer’ en ‘mevrouw’.”

„Toen ik hier begon was het heel uitzonderlijk dat een leerling een leraar om uitleg kwam vragen. Dat ging via een heel systeem. De ouders kwamen op een oudervergadering naar de leraar: ‘Meneer, zou u misschien…’ Nu is er openheid. Er zijn enorm veel collega’s die na de les en tijdens speeltijd ingaan op vragen van leerlingen.”

Na anderhalf uur praten denkt Jo Hertogs even na. Hij vraagt: „Heb ik nu antwoord gegeven op uw vraag? Is er iets fundamenteels veranderd? Voor mij niet. Ik heb intuïtief geleerd dat je moet variëren. Maar zelfs een les waarin jij 40 minuten aan het woord bent kan lukken, als die maar boeiend genoeg is. Lesgeven is overtuigen.”