Niet-witte topkunst

Twee weken geleden pleitte Harriët Duurvoort voor meer diversiteit in musea. Kunst-historicus Werner van den Belt reageert op haar artikel.

Kara Walker, 'Untitled', 1996, waterverf en grafiet Walker, Kara

Culturele diversiteit in Nederlandse musea is een kwestie van behelpen. Ondanks sterke aanbevelingen van de politiek (Mondriaan Stichting) blijft een genootschap van museumdirecteuren zich verzetten onder het motto dat niet diversiteit maar kwaliteit het belangrijkste selectiecriterium voor aankoop en tentoonstellingen zou moeten zijn. Het is echter de vraag of deze discussie wel zuiver gevoerd wordt. De begrippen ‘diversiteit’ en ‘kwaliteit’ zijn arbitrair en krijgen pas betekenis en waarde als ze vanuit een context te berde worden gebracht.

De meeste Nederlandse musea zijn ontstaan aan het begin van de twintigste eeuw als teken van beschaving, en hebben sindsdien een mooie afgewogen collectie opgebouwd met een goed daarop afgestemd tentoonstellingsbeleid. Prachtig zou je zeggen, het geeft de musea identiteit. Maar wat als er grote veranderingen in de samenleving plaatsvinden? Zullen we gewoon nieuwe musea bouwen – zonder historisch verleden – en is het probleem dan opgelost?

Het blijkt niet zo eenvoudig te zijn om adequaat op die veranderingen te reageren. Dat is zichtbaar in de nieuwe groeisteden waar oeverloos wordt gesproken over wat je moet tentoonstellen, wat je moet verzamelen, welke identiteit je moet aanmeten om een draagvlak te kunnen genereren en succesvol te kunnen zijn. Vaak worden er meer verschillende identiteiten gevoeld die onverenigbaar blijken te zijn. Een veel genoemd voorbeeld is het beleid van de Paviljoens in Almere, dat veel tijd en geld investeert in tentoonstellingen die gaan over de ‘nieuwe stad’ maar waar het publiek massaal wegblijft. In de media duiken als reactie hierop voortdurend denigrerende opmerkingen over het culturele niveau van de bewoners van de nieuwe stad op. Daarbij wordt er gemakkelijk aan voorbijgegaan dat de mensen die er wonen niet minder culturele beleving hebben, maar een andere – niet-witte – cultuur kennen, waar ook topkunst voor te organiseren is. Een ander voorbeeld van tegentijds beleid is Amstelveen, waar een (over)enthousiaste wethouder zijn nek uitsteekt voor een museum met Cobra-kunst, terwijl juist Amstelveen een enorme bevolkingsaanwas van mensen uit Azië heeft.

Ook mag de vraag gesteld worden wat culturele diversiteit nu eigenlijk is. Gaat het om kunstenaars die van ‘andere’ herkomst zijn of gaat het over de kunstwerken die een maatschappelijk geluid laten horen? Een kleine rondgang langs Nederlandse kunstenaars van ‘andere’ origine leert dat er meer dan voldoende talent in Nederland voorhanden is: Tiong Ang, Jennifer Tee, Rachid Ben Ali, Avery Preesman, Remy Jungerman, David Bade en Natasja Kensmil bijvoorbeeld. Met een investering van pakweg 200.000 euro kan je uit hun werk een prachtige basiscollectie voor een nieuw museum samenstellen die als eerste context voor multicultureel beleid kan dienen. Met een beetje slimme marketing maakt je hier een (inter)nationaal topmuseum van. Regel een paar bruiklenen van internationaal gereputeerde kunstenaars die lange tijd in Nederland hebben gewoond – of dat nog steeds doen – zoals Shirin Neshat, Marlene Dumas, Marina Abramovic, Meschac Gaba en Fang Lijun en je bent in één klap spekkoper. Je wereldmuseum binnen handbereik. Welke gemeente durft het aan?

Of is het concept te gewaagd voor de bestuurlijke machinerie en moet het dan van individuen komen? Bevlogen curatoren of museumdirecteuren die hun nek willen uitsteken. Als we mevrouw Duurvoort mogen geloven valt hier weinig van te verwachten. Kunsthistorici worden nog steeds opgeleid met een sterke blik naar het (West-Europese) verleden en zijn inderdaad merendeels blank. Maar dat hoeft geen beletsel te zijn om diversiteit te tonen. Er is geen verband tussen de persoonlijke achtergrond van museumdirecteuren en curatoren en hun professionele voorkeuren. Sterker, het tegendeel blijkt ook: het is algemeen bekend dat een onevenredig groot aantal mannelijke museumdirecteuren homoseksueel is. Je zou verwachten dat dit zijn weerslag zou hebben op het gevoerde beleid. Immers, seksuele diversiteit is ook een belangrijk maatschappelijk thema. Toch wordt ook hier geen beleid op gevoerd. Positieve uitzondering hierop is het eerdergenoemde Cobra Museum dat deze zomer een grote tentoonstelling aan seksuele diversiteit wijdt – ‘andere’ kunst die in Nederland ook nauwelijks aan bod komt.

Werner van den Belt is freelance kunsthistoricus en communicatieadviseur voor musea en overheden in de culturele sector