Nazistische boerinnen in een toekomstig Engeland

Sarah Hall: De vrouwen van Carhullan (The Carhullan Army).Vertaald door Wim Scherpenisse. Anthos, 271 blz. € 19,95

De derde roman van de Britse schrijfster Sarah Hall is genomineerd voor de Arthur C. Clarke Award for Best Science Fiction, maar heeft even zo weinig te maken met 2001-achtige sciencefiction als Harry Mulisch met light verse. De roman speelt zich af over een jaar of dertig, wanneer Engeland een zielige, voor voedsel van Amerika afhankelijke kolonie is die door falend energiebeleid is overstroomd en verwilderd, zonder elektriciteit of olie.

Door het stadje waar onze hoofdpersoon woont in een wrakkige en gehorige volgestouwde flat met evenveel ongedierte als stinkende mensen, zwerven wilde honden die vreten aan alomtegenwoordig huisvuil en dode ratten. De mensen leven afgestompt onder een regime dat werk verplicht stelt en bij alle vrouwen een spiraaltje inbrengt om de bevolkingsgroei onder controle te houden. Het enige soelaas is een steeds schaarser wordend, verdovend medicijn.

Het Engeland van De vrouwen van Carhullan is ten prooi gevallen aan een mensonvriendelijke klimaatsverandering en wordt, op een paar stadjes na, niet meer onderhouden. Een onaangepaste zonderling probeert zich in de wetlands van de wildernis in leven te houden, als ‘Onofficiële’, die door het Regime niet erkend wordt maar wreed bestreden.

In de onherbergzame heuvels van Cumbria, de streek waar de schrijfster haar jeugd doorbracht, tracht, naar het gerucht wil, een groep vrouwen onder aanvoering van Jackie Nixon een autarkische boerderij als een 19de-eeuws oerbedrijf gaande te houden. ‘Sister’, de verder naamloze hoofdpersoon van het boek verlaat de stad en de man van wie ze vervreemd is, en gaat te voet op zoek naar boerin en goeroe Jackie, van wie ze een oude foto op haar hart bewaart. Dat lukt, maar de ontvangst is allesbehalve hartelijk. ‘Sister’ wordt dagenlang opgesloten in een klein hondenhok vol stront en bloed. Een initiatieritueel, want heel de biologisch-dynamische boerderij wordt behalve door de natuur geregeerd door Jackie en haar kleine militante groepering lievelingetjes, op militaristische wijze. Geschoren hoofden, laarzen, wapens, zware oefeningen in afzien en strijd – een echte mannenwereld dus. De midden in de prachtige natuur gelegen boerderij is allerminst een plek van melk, honing en prettige lichaamssappen.

De vrouwen van Carhullan is niet onverdienstelijk geschreven, maar schiet de lezer wel erg terug naar de militant-feministische idealen van de jaren zeventig. De afloop is abrupt en disproportioneel van lengte. Het boek moet het vooral hebben van de vreemde mengeling van toekomstroman en historische boerenroman. Het lijkt of de schrijfster niet goed wist te kiezen welke kant ze haar roman wilde opsturen – de zachte vrouwelijke of de nietsontziende, militaire, mannelijke.