Met prestaties een bijzonder verhaal vertellen

Zwemmer Maarten van der Weijden (27) overwon leukemie. Gisteren werd hij in Sevilla wereldkampioen op de 25 kilometer. Hij wil patiënten vertellen dat er ‘na kanker’ volop hoop is.

Twee boodschappen wilde Maarten van der Weijden uitdragen toen hij enkele jaren geleden wilde laten zien „dat je na kanker nog wereldkampioen kan worden”. Dat de diagnose kanker lang niet altijd een doodvonnis betekent. En dat hij de gedachte dat een patiënt de ziekte alleen kan overwinnen door keihard te knokken, niet deelt. „Dat impliceert namelijk dat mensen die het niet halen, medeschuldig zijn aan hun eigen dood”, aldus de 27-jarige marathonzwemmer vanmorgen telefonisch vanuit Sevilla.

In 2001 stelden artsen vast dat Maarten van der Weijden leukemie had. Tegen de vooruitzichten in genas hij. Gisteren werd de 2,02 meter lange Van der Weijden in Sevilla wereldkampioen op één van de allerzwaarste sportdisciplines: 25 kilometer zwemmen in open water. Zijn tijd: vijf uur, vier minuten en één seconde.

„Toen ik destijds aangaf dat ik wilde laten zien dat je na kanker nog wereldkampioen kunt worden, wist ik niet precies wat dat inhield, en of ik het echt zou kunnen”, bekent Van der Weijden nu. Afgelopen week stonden alle seinen op groen. Zondag had hij zich bij de WK open water in Sevilla al geplaatst voor de tien kilometer in Peking, waar het nummer voor het eerst de olympische status heeft. Tussendoor behaalde hij brons op de vijf kilometer. De race van gisteren ontwikkelde zich zoals hij het wilde. „Ik was geplaatst voor ‘Peking’, dus ik kon zonder enige druk meepeddelen op de 25 kilometer. Toevallig werd het een beetje mijn race. De laatste duizend meter besefte ik ineens dat als ik ooit nog eens wereldkampioen wilde worden, dat dit mijn kans zou zijn.”

Hij sloeg zijn slag na ruim 24,5 kilometer: in de ‘eindsprint’, zijn specialiteit, bleef hij de Amerikaan Mark Warkentin een halve seconde voor. „We lagen in een groepje. Ik ben de snelste sprinter. Ik dacht: als ik dit sprintje niet win, ga ik mijn leven lang hier aan terugdenken. Dat vond ik zo’n vreselijke gedachte, dat er in plaats van motivatie ook een soort angst kwam, maar ik heb gelukkig mijn hoofd koel gehouden.”

Hij zal die ervaring meenemen naar Peking, waar hij een medaille wil halen. „Die ervaring, met een groepje eindigen en de laatste tweehonderd meter sprinten, gaat me straks zeker helpen.”

Van der Weijden zette zich na zijn indrukwekkende comeback in 2003 volop in voor lotgenoten, maar ontdekte gaandeweg dat dat hem ook afleidde van zijn droom de wereldtop te halen. „Ik heb mij in 2004 en 2005 erg ingezet voor KWF Kankerbestrijding, ik heb een eigen stichting gehad. Maar dat kostte zoveel energie en tijd. Ik heb toen besloten dat ik dat beter iets rustiger aan kon doen en mij beter op het zwemmen kon concentreren. Als ik mijn verhaal wil vertellen, dan heb ik meer aan een sportieve prestatie dan zoveel mogelijk op televisie komen.”

Hij stapte over van Dordrecht naar het Nationaal Zweminstituut Eindhoven, waar hij ging trainen onder begeleiding van oud-zwemkampioen Marcel Wouda – in de omgeving van succestrainer Jacco Verhaeren en diens pupillen Pieter van den Hoogenband, Marleen Veldhuis en Inge Dekker. Van der Weijden: „Ik mag daar ook gebruik maken van alle mensen die Pieter om zich heen heeft, waardoor het allemaal een stukje professioneler is geworden. Dat heeft zijn vruchten afgeworpen.”

Nu hij écht wereldkampioen is kan hij zijn boodschap, net als oud-wielrenner Lance Armstrong dat deed, veel beter overdragen aan mensen die worden getroffen door kanker. „Op de eerste plaats moeten mensen weten dat kanker lang niet altijd het einde betekent. Men schat de genezingskans altijd veel lager in dan die in werkelijkheid is. Dat komt omdat mensen het altijd te horen krijgen als iemand aan kanker is overleden. Maar: 53 procent van de mensen die kanker krijgen is er na vijf jaar nog. Ik wil laten zien dat je daarna nog ontzettend veel kunt.”

Toch is Van der Weijdens boodschap een andere dan die van de Amerikaanse wielrenner, onderstreept hij. „Armstrong beschrijft zijn gevecht, hoe hij knokte, hoe hij voelde dat hij kankercellen uitkotste”, zegt Van der Weijden. „Daarmee zeg je bijna dat het je eigen schuld is als je het niet haalt. Dat je niet hard genoeg hebt gevochten. Dat voelt als bedrog naar mijn maatjes, destijds in het ziekenhuis, die het niet haalden.”

Van der Weijden ziet zichzelf niet als zo’n vechter. „Gisteren heb ik geknokt, in Sevilla. Maar toen bij mij kanker werd geconstateerd, ben ik in het ziekenhuis gaan liggen en heb me overgegeven aan de artsen. Bij mij heerste een soort berusting. Je hoort altijd die verhalen dat je positief moet denken, dat je moet knokken om het te overleven. Voor patiënten kan die vechtgedachte heel beklemmend zijn. Er is nooit ook maar enigszins aangetoond dat je door positief denken of vechten geneest. Maak het voor jezelf niet naarder dan het al is. Als ik nu terugdenk aan die tijd in het ziekenhuis ben ik niet heel ongelukkig geweest. Ik heb ook genoten van mooie momenten met mijn medepatiënten.”